Psychomachia

“Post mortem nihil est ipsaque mors nihil.”
Seneca, ” Troades”, v. 398.

Hoog… diep…
In de ijlte van het Zijn…

En het was er een bloedend geloei van tegenstrijdige gestalten, hals over kop, en door elkaar als in een baaierd van in wording kreunende wezens. En in die duisternissen een licht, een zon rijk aan de miljoenen sterren er omheen.

Flitsende stralen van vuur waren het, van een vuur dat de zielen in warme liefde zou helpen ontluiken tot een wingerd van geurend leven.

Prille kleuren velerlei waren het in het morgengloren, met een overdaad van goud en rood, als van blakerende weelde, en dan verder ook de onverwachtste nuances van teer groen, en paars, en roos, en fijn blauw. Levensbloemen met aromen die bedwelmden en die in de hoogste harmoniën trilden, als van musicerende menigten in de verste hemeltransen, met diepe accoorden van orgeltonen en de lichtflikkeringen van angelische citers, als glinsterende leeuwerikken die er aan ontloken, het weelderigste zonnelicht te gemoet.

Maar de Dood…
Reeds belaagde de Dood al dit nieuw leven, en van overal kwamen de wezens van het Kwaad aandraven met de driestigste bedreigingen van bet onherroepelijkste onheil. Onmiddellijk was het dan ook één wee en één erbarming van de geweldigste verschrikkingen, als in een orkaan die het leven tot verdorrende inkeer zou willen terugvoeren, met ongure moord-duisternissen en huichel-kwellingen van zinverdovende aneretische geheimenissen…

Aldus konden de zieners het inferno van een al te hachelijke dodendans in het zwerk van hun innerlijkste aanvoelen, het zien en er van het ontzettend visioen op hun perkamenten rollen hoeken. Een erbarmelijk schouwspel van helse moorddaden is het voor hun ontstelde ogen geweest. Maar er hoven heen was er eveneens de verheugende heroïca van die zijnswil die zonnewaarts opwelde en die zijn milde stralen uiteindelijk doorheen de dichte duisternissen liet gulpen.

Aan de ene kant waren het de heirscharen van de Dood met duivelgestalten menigvoud, wangedrochten van onheil, wild beestachtig behaard en de vuil-vale huid vettig afdruipend van groen-gruwelende etter. Grauwvuur bliksemde rond hun lenden die week waren en vies-doorzichtig als het lil van kwallen. En die weerzinwekkende heirkrachten stormden vooruit, onheilkreten slakend ter verguizing van al het goede dat ze op haar woeste tocht mochten ontmoeten.

Nietsontziend, hun gierende opperheer in vuigheid, voerde het razend heir aan, en zijn arglistige gestalte van grinnikkende verbolgenheden was door vunzige hoogmoed omgord. Zijn lagere ziel, zij, lag vastgekneld in de bittere spangen van zijn kwelnavel, terwijl zijn kronkelende staart zwaar zweepte doorheen de luchten; en zijn zwaard van nijd en van afgunst was een weedom van dreigend geweld. Naast hem was het een duizelig gewemel van ongedierte velerlei dat aan alle regionen van het Kwaad! O d’afschuwelijkste belichaming gaf. En het was Valsheid, en het waren Grimmigheid, Gramschap en Leegheid van de Ziel, alsmede al de zonden in de somberste en meest afschrikkende schakeringen van walgende verscheidenheid. Duivelsbraaksel was het, dat gebrouwd was in vaten van driestheid op de solfervuren van het hellegebroed der mijnedige zielen.

En tussen alle zonden in, reed aan de rechterzijde van Nietsontziend haar almachtige grootheid die men IJdelheid noemt en die steeds gehuld gaat in de sluiers van wufte misprijzing. Aan zijn linkerzijde was bet Godslastering, geil aan laksheid en met etterende, torve ogen in bet puistig gelaat. En daar verder waren het beesten als griffioenen, met rode schabben, en gitzwarte schorpioenen, en dodende scharadriussen, en zevenkoppige draken die vuur en gal spuwden en die hun stinkende wateren met hele tromben loosden. En er waren ook dieren aan brallende hoer-zwijnen gelijk, en snirre zwermen van Fenrirwolven die het verderf op hun voorhoofd droegen, en met wolvinnen die het venijn der wraakpest uit haar spenen persten. En toen kwam daar ook bet Beest der Aarde, Jormungand geheten, vunzig en gluiperig, waarvan de wervels wel duizendmaal rond de horizont draaiden om de vechtende heirscharen heter te kunnen wurgen en te vermorzelen.

Aan de andere kant was het als een zonnedroom van goedertierende en lichtende zielen met twee kinderzieltjes vooraan, heide zo tenger en zo teer in onbeholpenheid van broze onschuld, dat men ze nauwelijks zien kon in die onverkenbare baaierd van geweld. Doch ze waren door liefde gedreven, en ze straalden. En de engelen Gods stonden wakend aan hun zij. De blanke engel van de Onschuld zweefde hoven hun hoofd, en de gouden engel van ’t Heiligend Vuur was aan hun rechterzijde, en de purpere engel van ’t Koningschap des Hemels aan hun linker. Vooraan waren het de groene engel van Bloeiende Levenslust, en de blauwe engel van de Trouw. Doch, helaas, achter hen kwam onmiddellijk de zwarte engel van Rouw, als teken van ’t onafwendbaar noodlot dat die prille kinderzieltjes reeds de eerste dag van hun geboorte was beschoren, terwijl heel achteraan, en als aarzelend, de rode engel van Berouw zich ’t gelaat bedekte met zijn grote vlerken van heiligend vuur ter hemelse ontferming over ’t erbarmelijk schouwspel van die gruwelijke strijd op leven of dood.

Andere engelen bazuinden in ’t heelal en de grootgalmende muziek van hun bazuinen weerklonk hoog hoven de storm. En die musicerende engelen waren als van zilver. En hun gelaat was van loutere liefdedrang. En aan hun kop stond de aartsengel van de Goddelijke Beloning, met het jubelend vaandel van de zegetochten in de linkerhand, en in de rechter het stralend zwaard van de Hogere Vreugde.

En de zieners zagen dit al, en ze hoorden hoven het glorieënd bazuingeschal van de engelen een stem uit de hemelen, een stem van de hoogste en edelste zieletrots. En die stem verkondigde het Gebod des Heils, doch de heirschar en van het Kwaad bleven en blind en doof, en de rook van haar sprankelende woestheid pijnigde de ijle luchten van het Heil.

En de zieners hoorden de zware stem die zegde “Overheerlijk zijn de zielen die in liefde sterven. Ja,” zei de stem, “want ze verhemelen in de arbeid van haar werkende liefde.”

En de zieners zagen toen het beheerste heir van de Koninklijke Zielen met gouden scepters en wapperende mantels van hermelijn. En ze zagen en ze hoorden eveneens het juichende heir van de Goddelijke Deugden, voorafgegaan door citerspel gespeeld op de citers van ’t Eeuwig Leven, en die Goddelijke Deugden kwamen met gesel en roede het vloekend geweld van het Kwaad in liefde beslechten.

Maar hoe de strijd te beschrijven, hoe de stormen en de tempeesten van. uit de oertijden tot aan de Ragnarok in dit ene ogenblik van woeste driften te duiden ? Ach hoe d’inwaartse tormenten van deze psychomachia te vertolken buiten de schamelheid van de droeve beelden van aneretisch vergaan, en hoven het al te driestig tekort der woorden?

De winden loeiden, de donderslagen ratelden en alles was een zielgekreun in d’ingewanden van onze smart … De strikken verscheurd, de boeien gesprongen, de golven ontketend en de rotsen gebarsten tot aan de kern van het weten, ach! En de smaad van de gekerkerdheid, de toorn van al hetgeen tot de vermaledijding der verdwazing behoort Ach, die afgrond, daar… daar!

De burcht van onze reinste ziel in ’t zuiverst azuur boven hetgeen de zwaardtijd, de speertijd en de vuurtijd : de spuwtijd van onze meest onmogelijke verwildering beduidt, ach! En de draken van onze laagste driften geklonken aan het duister bestier van al hetgeen ons aan onszelf ontrouw tracht te maken en vreemd aan de glimlach van al hetgeen ons zou kunnen goden in de ogen van onze hoogste liefde…

De innerlijke strijd tot aan ’t bitter eind gestreden, de bontste metaforen om hem te duiden met de woorden van de mensen, doch ten slotte slechts een strijd zonder metaforen, zonder woorden, zonder iets, want een strijd van het mets… en ten slotte slechts om het niets… a quia nihil et in aeternum mors nihil

Ach…
En in een laatste poging tot overwinning sloegen de onheilboden hun helse macht in wilde scherven uit elkaar : alle richtingen in, en met een oorverdovend gekraak dat geweldig uit de ingewanden van de aarde losbrak. De vlammen kwamen hoog in de luchten, terwijl d’onmachtsdromen onverpoosd van de ene naar de andere wereldeinder ratelden, steeds zwaarder, steeds grimmiger. En het werd een beving, als in de verschrikkelijkste dagen van de strijd van de ontketende elementen tegen de Godheid. Vulkanen sprongen de luchten in, en hun vuur en lava kwamen in moordende regen teruggevallen op de strijdende kampen. En terwijl de aarde openscheurde werden honderdduizenden koene zielen in haar brandende ingewanden verslonden…

Ach, mijn slapen! In barstenswee, die povere slapen… en niets om die pijn te helen, niets…

En de gruweldaden van de mach ten des Kwaads vermenigvuldigden zich tot in ’t oneindige toe. En de arme mensenzielen werden gefolterd en gepijnigd. Ja, zelfs de Goddelijke Deugden werden gehoond en door de drassigste modderpoelen gesleurd. Afschuwelijk-walgelijk gingen ze te werk, de machten van het Kwaad, zowel met het giftige braaksel van haar monden, als met de pestilentie van haar ingewanden : een en al drek waren ze, zodat ze alles bezoedelden wat ze mochten aanraken. O wanhoop van al hetgeen rein is en heerlijk, o liefsten!

Reeds scheen de strijd ten gunste van het Kwaad, want reeds was alle licht geweken, zodat reeds van overal de triomf van de Dood werd ingeluid. En aan alle kanten stroomden de bezweken zielen mee met de beken en de rivieren van kokend en bruisend lava, en overal op de bergtoppen waren het nog slechts dodendansen als voor de laatste sabbatsnacht…

De jongste bloemenperken van ’t leven waren niet meer te verkennen, zó waren ze omgewoeld en verkracht geweest en tot barre dorheid verwelkt. En de Vier Ruiters reden steeds in een wilde rit van hoogmoed doorheen de zieltogende hemelen.

Doch de Koninklijke Zielescharen wisten uiteindelijk aan het Kwaad het overwinnend wapen van haar hogere zieletrots te bieden, en haar hemelse psalmgezangen van vreugde en nog diepere vreugde konden, als vleugelende wierook, het vijandelijk geweld bekoren en bezweren, en het eindelijk in zijn helse opzet stoten.

En die psalmgezangen zongen van de glorie van het Licht en van de liefde die tot Minne in zichzelf weet op te klaren, om zich eindelijk in de zichzelf gebaarde God te verblijden :

“O juicht allen toe, o vezels van het diepste onszelf”, weerklonk het hoven de mensenwoorden, “want immer verwinnen de morgen den de duisternis van de immer onverzadigde nachten in ons!

“O zielen, komt tot de muziek van onze innerlijke vreugden, en gij sterren van onszelf, wentelt om uw God, zoals steeds de Godheid in en om haarzelf!

“Ja, we zijn de liederen uit ons monodisch psalmboek, doch tevens de zangers zelf waardoor we doorheen onze eigen hemeltransen weergalmen… O gejuich van onze wonderbaarste woorden die het Woord verkondigen en in ons het kwaad doen wijken! O geheim van de geheimenissen, en gijzelf, o beminnelijke Minne in en om ons! Gij, o Gij, Fontein des Levens, en Licht des Lichts!

“En dat de belagers van het Licht tot hun duisternissen veroordeeld blijven, en opdat de neergestotenen nimmer meer zouden opstaan, nimmer!

“Zo zij het, eeuwiglijk, amen!”

Aldus kwam eindelijk het waarste Licht doorheen de duisternis, en het werd er een zoo met talloze sterren er omheen. Flitsende stralen van vuur werden het toen in de ogen van de zieners, en van een vuur dat de dode heldenzielen tot nieuw leven deed ontluiken. En de twee kleine kinderzieltjes zweefden weer triomfantelijk vooraan. Ze waren twee sterren gelijk, en ze straalden, straalden…

En nu plots een stilte als van de Stilte van God zelf, en de heirschar en van het Kwaad bleven als verlamd in het Niets te staan, verstard, versteend, om verpulverd en vergruisd neer te storten in de afgrond van de laatste afgronden. Doch de verslagen heirscharen waren dronken van ’t bloed van de engelen en van de zielen dat ze zo gruwelijk hadden vergoten en tot de laatste druppel weggezogen. En in haar dronkenschap bleken die heirscharen het Niets zelf te zijn, want elkeen uit haar scharen was van het Beest dat was en niet was, alhoewel het toch was, doch dan slechts in de schoot van het niets in het Niets.

Doch het leven is immers toch slechts een sterven, en dit sterven dan een strijd van het Iets tegen het Niets…

Van het Iets tegen het Niets? Weest dan ook, o mensen, de trouwe bondgenoten van dit Iets tegen het Niets en helpt steeds de fantasmen van uw diepste zelf in hun bestrijding van al hetgeen van dit Niets mag wezen. Ja, laat het licht en het Woord in u steeds stralen en gaat verder de wegen van uwe verbeelding op, steeds verder : naar gene slagvelden waarvan de zieners steeds getuigen.

Ach, en het Boze heeft moeten bezwijken voor de wonderbare bekoringen van het Woord, doch dit bezwijken is het niet eerder een verzaken en een versterven, en is het ten slotte niet eveneens een laatste rilling van de Dood zelf?

Alles huiverde nog lang na in mijn slapen die waren van de krankheid van mijn ziel en van het ongure van mijn pover aanzijn.

Op de slagvelden lagen nu de verkoolde lijken van de verslagen aanhangers van het Kwaad. Tot ver achter de horizont waren het eveneens de verbrijzelde wervels van het wreedaardige Beest, want Jormungand was geweest… Late sulferwalmen stegen nog op uit de puinen van hetgeen eens de burcht van Nietsontziende heette, en over het hele land troonde nog slechts de Dood met zijn dorre scepter der Verworpenheden… Doch hoven de rouwwalmen geurden weer de roemrijkste dromen van ’t Eeuwig Leven, en overal waren reeds de helende handen van de goede engelen. Aan hun vingertoppen was het dan ook een verkwikkend lied van rozenbalsem en van vloeiende mirre.

De noorderwind en de zuiderwind streken als zachte hinden over het land. De akkers, schoon ongezaaid, wasten weer tot grote lof van al hetgeen gedijt in de warmte van Minne. Host’s moord werd ongedaan en Breedzicht straalde weer in hoogste vreugde, en verder, en verder…

De geest van Balder kwam weer. te waaien waar hij waaten wilde, zodat het weer een triomf van ’t Eeuwig Leven werd en de Dood op haar beurt moest wijken voor het Licht terwijl Naglfar, het thans overbodig geworden dodenschip, onherroepelijk in de vlammen opging … Rond het Licht kwamen nu zetelen, en de gouden engel van ’t Heiligend Vuur, en de blanke engel van de Onschuld, en de purpere engel van ’t Koningschap des Hemels, alsook de groene engel van Bloeiende Levenslust, met aan zijn zijde de blauwe engel van de Trouw.

En de aartsengel van de Goddelijke Beloning kwam knielen voor de troon van het Licht, en als bloedend offerande van eeuwige Minne bracht hij in zijn stralende handen twee kleine mensenzielen, die waren zo tenger en zo teer dat men ze amper in zijn handen had kunnen zien, waren ze niet de bron en de fontein geweest van de lichtstraal die tot de Alvader opwelde. En die straal was de lichtstraal van de Levende Wateren, helder als het ijlste kristal. Niettegenstaande waren die twee kleine mensenzielen nog steeds bezoedeld van al het wee dat ze meegemaakt hadden in die helse baaierd van geweld waarin ze tot duizendmaal toe hadden dreigen ten onder te gaan.

En die bezoedeling was van d’onmin van de tijden, en die nood was van de angst in het diepste zelf van de mensen, die lijden van niet heel en gans in Minne te kunnen opgaan om er ’t vurig Tabernakel, eindelijk, toch aanhankelijk te worden…

En een hoge stem weerklonk in ons :
“Alvader, ach, aanvaard toch de Levende Wateren van deze twee kleine mensenzielen, reinig ze doorheen uw Wateren van Goddelijke Minne, verlos ze van ’t oerkwaad der aardse geboorten, maak ze nog ijler dan het ijle en verheerlijk ze in de genade van uw opperste Heerlijkheid…” En de Wateren van de Goddelijke Minne verwaardigden er zich toe zich innig te verstrengelen met de Levende Wateren, die waren van de psychurgie van deze twee kleine mensenzieltjes…

In aanbidding, en met gevouwen handen, de ogen gesloten als voor hun innerlijke bekoring, knielde thans de schaar der engelen voor die twee verheerlijkte mensenzieltjes, die waren van het lichtste teken des Levens, hoven het niets van de Dood waarin ze reeds zweefden. En de prevelende lofzangen van de engelen stegen als blanke vogelen van vreugde, heel hoog in de luchten van de Walhal van onze inwaartse goden. Hun lofzangen waren van de baring van de zielen, zodat talloze andere mensenzielen hun wijzangen als heling van Minne op haar bloedende wonden voelden strijken, om op haar beurt van de verre deemsteringen van de Dood tot ’t zonnig rijk van ’t Leven te herrijzen…

Weelde van de verrijzenis! O jubel van de juichende lofzangen! En in de stroom van de Levende Wateren, in de fontein van het Water des Levens, kwamen die mensenzielen zich baden. En de zon schitterde op het eeuwige van haar gestalten, en de geest Gods waaide doorheen de menigvuldigheid van haar reien, zodat dit waaien als het lied van God zelf werd en dit lied als d’almacht van onze innerlijke magie … En de zieners zagen en hoorden al die wonderen van het werkende leven in ons, en ze boekten het al op hun perkamenten rollen, opdat niets van onze jongste psychomachia zou verloren gaan. En toen zagen ze nog hoe een witte raaf uit de hemelen kwam gevlogen om uit de stralende handen van d’aartsengel der Goddelijke Beloning de bloedende offerande van die twee verheerlijkte mensenzieltjes in ontvangst te nemen en ze naar den Hoge te voeren tot in de verste transen waar het wijzeloos Onbepaalde in alle eeuwigheid troont. En de zieners boekten eveneens dit laatste gebeuren, en het woord dat hun toen de purpere engel van ’t Koningschap des Hemels in de oren kwam fluisteren was : Vreugde!

Vreugde, ja vreugde, o mensen van smart en smart en nog grotere smart, want de laatste en rijkste vruchten van uw smart geuren immers toch altijd de blijde balsem van de vreugde, en daarom, o mensen, blijft nooit bij de zilten oevers van uw tranen vertoeven, doch gaat steeds zonnewaarts in de richting van ’t bloeiend leven, waar de Vreugde in uw diepste ziel is blijven stralen.

O juicht dan ook : Vreugde! Vreugde! O mensen van smart en smart, opent toch uw dode ogen, steekt de levende lichten aan, en ziet! Ziet, daar wordt het licht van het Licht in uw midden geplant. Tracht er van te genieten in de geneugten Gods, en zo weze uw liefde tot de Minne in God, zo weze uw Vreugde. En God zegene ze in zijn hogere almacht, en Hij schenke u de wakende en zorgende Minne. En zo weze uw ening in eeuwige weelde van vreugde, zo weze het in uw Minne der Minne…

Zo weze het in mijn treurende mezelf en boven mijn smarten uit, in de veilige kluis van mijn waaiende geest.
Ach mijn slapen, m’n povere slapen, en dit schamele hart dat bonst, bonst…
O mijn waaiende geest…
Ach…
Hier, in deze gekerkerdheid…

Februari 1945.

%d bloggers liken dit: