Het bestendig verbond

Het bestendig Verbond

Marc. Eemans en de metaphysische dichtkunst

Poëzie is het zich bezinnen van den Geest over zich zelf. Ook de wijsbegeerte is ongetwijfeld zelfbetrachting van den Geest. maar het denken uit zich in begrippen, terwijl in de dichtkunst de Geest zichzelf bespiegelt door middel van het beeld. Misschien zal men deze bepaling wat al te beperkend heeten, maar men late mij toe het probleem tot zijn essentie te herleiden. ’s Menschen geest is de hoogste verworvenheid der natuur, het uiteindelijk stadium van haar eeuwige wording, het stadium waarin zij tot bewustzijn komt van zichzelf. De vegetale wereld, hoorde ik Bierens de Haan eens zeggen, is de slapende, het dier de droomende God. Dan is de mensch de wakende, waarin God zichzelf erkent. Het instrument van dit eindeloos proces van bewuste erkenning is de geest, die, zich over zichzelf bezinnend, zijn herkomst doorgrondt en zijn heimwee vertolkt. Zoo is tevens de poëzie (en alle kunst) natuur, daar de geest, haar hoogste kristallisatie, zichzelf beeldend, noodzakelijk natuur beelden moet. De wijsbegeerte werkt analytisch in begrippen, want alleen met begrippen neemt de rede genoegen. De poëzie gaat synthetisch en allegorisch te werk, want zij richt zich niet tot de rede of het verstand, maar tot het gevoel. tot de intuïtie, ja tot het « geloof » in zijn ruimste beteekenis, alle vermogens der ziel. Beide intusschen, wijsbegeerte en dichtkunst, beoogen het zelfde doel: de kennis der Waarheid, het doorgronden en ontsluieren van het Wezen. En dat beide menigmaal nauw met elkaar verwant zijn, menigmaal in elkaar overvloeien is, waar ze hetzelfde rijk van het Mysterie betreden, begrijpelijk genoeg en genoegzaam bekend. Want de begrippen zijn niet uitsluitend voor den wijsgeer weggelegd en de beelden niet uitsluitend voor den dichter. De figuur van den dichter-denker vindt zijn oorsprong in de identiteit van het doeleinde, meer dan van het uitgangspunt. En waar het begrip tekort schiet, blijft als laatste uitkomst het beeld.

Het beeld, het scheppende. Eindeloos kan men twisten over de vraag wat van hooger orde is, het begrip, of het beeld. Maar dit getwist ware ijdel, want vergeefsch. Waar het gaat om het erkennen der Waarheid is het begrip in beginsel ongetwijfeld het meest aangewezen vermogen. Maar de begrippen zijn ontoereikend om ons uitsluitsel te geven over het Wezen der schepping. Van oudsher heeft dan ook de mensch zijn toevlucht genomen tot een andere categorie van erkenning om zijn geestelijke onrust tot bedaren te brengen en zijn wetensdrang te stillen: aan het beeld vroeg hij deze geestelijke bevrediging en dit – benaderend – weten. Want wat zijn mythen, dogma’s, religies anders dan beelden, verbeeldingen, symbolen waarmee de zichzelf betrachtende geest aan zijn innerlijke ervaringen gestalte heeft trachten te geven? De geest over zichzelf gebogen luistert naar de stem der diepten en ziet uit naar de « wenken der goden » waar Hölderlin van gewaagt. Mysterieuse krachten, waarvan de geest zelf functie is, streven door hem naar ontplooiing en openbaring. De « schouwende » Geest ervaart hun drang, « hoort » hun stem, registreert hun gebaar, – in oogenblikken van uitzonderlijke begenadiging. In begrippen kan hij zich niet uiten, deze oerdiepe gewaarwordingen vermag het beperkt verstand niet te bevatten. Zoodan wordt het woord aangewend in zijn primitiefste functie, als expressie van « gewarigheden » waarvan de herkomst verborgen ligt in de donkerste gebieden der creatie. Oorspronkelijk is het woord niet begrip, maar voorstelling, maar beeld, en, zooals Ludwig Klages zegt, symbool, waar het gestalte geeft aan de spontane belevenis van het mysterie. Het wezen van het symbool is dan ook vereeuwiging van eenmaal ondergane, nooit meer terugkeerende ervaring van het verborgene, is reservaat van de aloude wijsheid van het menschdom, opgedaan a.h.w. buiten alle wetmatigheid en causaliteit. Uit een organische vergroeiing der symbolen ontstaat de mythe, waarin alle religie haar zuiverste en duurzaamste substantie vindt.

Religie, wijsbegeerte, poëzie, – men kan ze wel de drievuldigheid noemen van de centrale eenheid die de mythe is. Door haar zijn ze met elkaar onafscheidelijk verbonden, en waren ze in de oudste tijden een. De priester. de magiër, de dichter, – veelal waren de drie functies in een en denzelfden persoon vereenigd. De oudste hymnen der menschheid zijn zoowel gedichten als gebeden, en de schatkamer tevens van hun kennis, deze « connaissance de la déesse », die de belichaming is van het groot mysterie. In den loop der eeuwen ontwikkelden zich de godsdiensten beurtelings bij nagenoeg alle volkeren der aarde tot de groote cultuurscheppende machten die hun stempel drukten op alle levensvormen zoo van maatschappelijke als van zedelijke orde. Schijnbaar stond de lyriek in dienst van de religie, getuige de vele godsdienstige liederen, gezangen, sproken, getuige bij uitstek de mystiek van alle volken, en niet het minst de christelijke mystiek der middeleeuwen. Geen kunst heeft wellicht zoozeer als de lyriek van de religie geleefd, haar inspiratiebron er in gevonden, tot op zekere hoogte een integreerend deel van den godsdienst geweest. Want ten slotte is de lyriek de kunst van het woord, en de Geest kan het buiten het woord niet stellen waar het er op aankomt gestalte te geven aan de resultaten zijner zelf betrachting. Voor de cultureele ontwilekeling der menschheid is deze slechts van belang voor zoover ze neerkomt op een scheppend proces. In wezen is de zelfbezinning van geest steeds religieus, wanneer men de religie beschouwt in haar mystisch stadium als schepper van het symbool; maar dit is juist ook de poëzie, zoodat religie en lyriek ook in een geëvolueerd ontwikkelingsstadium van het geestesleven allernauwst met elkaar verwant blijven. Hun beider sfeer is beeld en symbool, in tegenstelling met de wijsbegeerte die, schoon ook in den mythos wortelend, in de plaats van de duistere, maar levende symboliek van religie en poëzie, de klare begripswereld der rationeele kennis tracht te schuiven. Zoo is het dan ook te verklaren dat, toen de godsdienst, – om ons tot Europa te bepalen, haar opperheerschappij over de geesten begon te verliezen ten bate van de wijsbegeerte en weldra van de wetenschap, een tijdlang haar bondgenoot, die haar spoedig verdrong, – zoo is het te verklaren, dat op dat moment de lyriek de laatste toevlucht werd van velen, die een te star geworden dogmatiek niet meer kon bevredigen, terwijl zij zich anderzijds in de kilheid van een in formules en coördinaten opgeloste wereld onmogelijk konden thuisgevoelen. Hier hervatte de poëzie haar primitieve zending: tolk te zijn van het mysterie, voedsel voor den eeuwigheidshonger der ziel.

En zoo bleek het wel, dat de poëzie ten tijde van de zomersche hoogte van het religieuze Leven, feitelijk slechts schijnbaar in dienst van dit laatste had gestaan. In beginsel kan religie het stellen zonder een woord poëzie, ze kan volkomen innerlijke blijven en blijft dat ook bij miljoenen menschen. Van poëzie echter kan eigenlijk slechts sprake zijn wanneer er schepping is, belichaming van belevenis en ervaring in het woord. Indien dan de poëzie eeuwen lang de tolk is geweest van het religieuze gevoel, dan was zij als zoodanig toch volkomen zelfstandig, en een waarde « sui generis ». De middeleeuwsche mystieke poëzie heeft trouwens getoond, dat het religieuze levensgevoel de ontwikkeling van de lyriek volgde, of juister gezegd, de lyriek was hier de manifestatie zelf van het Godzoeken en het Godsverlangen. Zonder deze lyriek ware de mystiek voor ons, streng genomen, maar een woord. De poëzie bouwde voort aan de mythe, aan de verhouding van de ziel tot het Al.

Ongetwijfeld, de poëzie die sinds het vastleggen der religieuze symboliek in dogmatiek in de eeuwigheidsbehoefte der menschheid heeft voorzien en in haar beeldenwereld beantwoord heeft aan haar hang naar communie met het universeel geheim, deze poëzie is vooral aesthetisch geweest. En ze was zelfs veelal hedonistisch. Ik zal niet beweren, dat ze daarmee haar eigen wezen heeft verraden, geenszins. Het was trouwens begrijpelijk dat ze, in een maatschappij die hoofdzakelijk profane waarden huldigde, ook zelf naar elementen greep die van profane orde zijn. Haar drang naar vormschoonheid, haar onvermoeide fladderen rond zinnenstreelende elementen, rond Leven en wereld uit het gezichtspunt van het tijdelijke gezien, dat alles moge in functie geweest zijn van een algemeene ingesteldheid der geesten op « diesseitige » waarden, in wezen bleef ze ook toen van een adem van eeuwigheid doorhuiverd, en beantwoordde ze al of niet bewust aan een hoogere bestemming. Want de zichzelf betrachtende Geest, waarin aarde en tijd zich afspiegelden, zag de betrekkelijkheid en vergankelijkheid van dit alles, zag de ijdelheid van dit hedonistisch levensgevoel en loste het in onvergankelijke beelden op. Een moment trouwens, toen vóór en na den wereldoorlog de menschheid zwanger scheen te gaan aan instorting en ondergang, brak de poëzie met alle vormschoon en beeldde dit leven als een gedrocht of een karikatuur, van allen zin en eerbied voor eigen mysterie ontruimd. Dit was ten slotte ook een waarschuwing, een « wenk der goden ». Kon deze houding ten slotte niet gehandhaafd worden, en moest ze dit ook niet, de waarschuwing had haar doel bereikt en had bovendien in herinnering gebracht, dat de lyriek het in laatste instantie ook zonder vormschoonheid en zinnenstreelende waarden stellen kan.

Beschouwt men dus de lyriek in haar zuiverste substantie, dan komt zij ons voor niet enkel als een begeleidend verschijnsel van het religieus gevoel. maar zelfs als met dit laatste veelal identisch. Wat hen echter, als gezegd, onderscheidt is, dat, terwijl het religieus gevoel op zichzelf bestaan kan, de lyriek noodzakelijk tot vormgeving moet overgaan. De lyriek moet gestalte geven aan zichzelf. In de vroegste tijden gaf ze expressie aan het religieus gevoel onder den vorm van beelden en symbolen, was dus letterlijk mythe-scheppend; later, toen de godsdiensten, gevestigd en alom aanvaard, het heele geestesleven beheerschten, was de lyriek religie-vertolkend, en weldra, toen de symbolen of niet langer werden verstaan of dogma’s waren geworden, vroeg ze aan de gevestigde religies haar rechten terug en bouwde zelf weer voort aan ’s menschen verhouding tot het mysterie. En in den grond heeft ze nooit opgehouden dit te doen. Er bestaat een oude lyrische overlevering, die, alle aesthetiek van slechts secundaire orde achtend, niet afgelaten heeft zich op haar oorspronkelijke rol in te stellen, nl. expressie te geven aan haar erkenning van het wezen der wereld. Zoo bleef ze, van nature met het religieuse verwant, tevens in communie met de philosophie en verdient aldus ten volle den naam van metaphysische lyriek. Daarmee is haar bemiddelende positie tusschen gelooven en denken aangegeven. Ze is als de brug die beide verbindt in de eenheid der mythe. Want is lyriek veelal identisch met religie, deze laatste is dit niet met de wijsbegeerte. Heeft het eenmaal een moment kunnen lijken alsof de religieuze inhoud op de wijsbegeerte zou zijn overgegaan, m.a.w. alsof de philosophie voor den mensch een surrogaat van den godsdienst zou kunnen worden, spoedig bleek toch dat het denken noodzakelijk andere wegen moest betreden. Want religie is gevoel. Wijsbegeerte is verstand. Beide beheerschen de totaliteit van het wereldbeeld. en dit is het hun gemeenzaam element. Maar religie is overgave. Ze is deemoedige berusting in het mysterie, geloof aan door het verstand ongecontroleerde waarden. Voor haar belichaamt zich de onthulling der wereld in het symbool. De wijsgeerige geest echter streeft naar rationeele erkenning. en alle onthulling door erkenning verwezenlijkt is van metaphysische, niet van religieuze orde. Derhalve is wijsbegeerte ook nooit berusting, maar onvermoeibaar streven en vorschen. daarom heft de philosophie in laatste instantie de wereld op. reduceert haar tot een formule. een begrip of een reeks van begrippen. Niet om niet heeft de wijsbegeerte steeds de wetenschap ter hulp geroepen. waartegenover de religie van nature vijandig staat, – en omgekeerd. Alle pogingen om beide te verzoenen zijn tot mislukking gedoemd. Men vereenigt niet water en vuur. (Wat niet zeggen wil dat de wetenschap in haar laatste uitkomsten niet somwijlen zekere religieuze waarheden op haar manier kan bewijzen, althans benaderend: want waar het wetenschappelijk onderzoek der natuur ten slotte óók naar de waarheid streeft, moet ze wel de mythische waarheid van het Leven ontmoeten. die intuïtie (van alle eeuwen in symbolen uitgebeeld is). In beginsel intusschen is aan de religie het denken vreemd. spijt hun gemeenschappelijke bezinning over het wezen der wereld en hun zin voor de oneindigheid. maar met de lyriek heeft het daarentegen weer het element der vormgeving gemeen, dat de religie niet kent. En daarom juist is de lyriek en we! die metaphysische lyriek waarvan hierbove sprake. het bindingsteeken tusschen godsdienst en wijsbegeerte: in de logische verbinding « metaphysische lyriek » is het lyrisch element religieus, het metaphysische wijsgeerig naar het wezen. Het is de synthese van beeld en begrip.

Een typische en onverwachte verschijning van metaphysische lyriek in de Vlaamsche letteren is dit « Bestendig Verbond » door Marc. Eemans, waarmee wordt aangesloten bij een aloude en edele traditie, die veelal verborgen of duizendmaal vertroebeld. in de poëzie van vrijwel alle volken leeft. Zij doet zich hier voor in haar puursten staat. wellicht, geheel ontdaan van tijdsomstandigheden en « literatuur ». Men legge deze verzen niet in de eerste plaats een aesthetischen maatstaf aan. men waardeere ze als het. gewis niet alledaagsche, resultaat van een lyrisch-religieuze doorleving van aloude symbolen, als een vormgeving. in beeld en begrip: van ’s dichters verhouding tot den cosmos. Ook de Middeleeuwsche mystiek is niet vóór alles aesthetisch te benaderen; deze kant van hun expressie van het wezen der wereld was voor de mystici wel de laatste hunner beslommeringen. W aar Eemans voortbouwt aan de onherleidelijke mythe die eeuwig in wording is krachtens ’s menschen bezinning over het mysterie, drukt hij zich veelal uit in figuren en begrippen ontleend aan de Germaansche godenleer, zooals ze ons door de Edda’s overgeleverd werd. Op het eerste gezicht moge zulks velen bevreemden, zooniet onthutsen; men houde echter in het oog dat deze Germaansche mystiek (ik meen hier inderdaad ook van mystiek te mogen spreken) nauwelijks verschillend is van de christelijke, de muzelmaansche of de Indische, daar alle mystiek, zooals Harnack vaststelde, ten hoogste nationaal, nooit naar het wezen te onder scheiden is. Zooals de christenmysticus zich bezint over de Evangelies, de mohamedaan over den Koran, zoo bespiegelt deze dichter de oeroude mythen van onze. Germaansche voorouders en geeft op eigen manier aan hun eeuwigheidsinhoud gestalte. In deze lyriek vinden wij dan ook alle thema’s en motieven van deze metaphysische lyriek, die de mystiek in haar poëtischen vorm is, terug: persoonlijk beleven der aloude symbolen, extatische opvlucht, overheen hun betrekkelijken zin en hun vastgelegde beteekenis, naar de eeuwige essenties dezer mythen, rechtstreeksche verhouding tot het Bene, terugkeer tot een vereeniging met den Oergrond van alle dingen. Eemans’ bezinning over het Wezen der wereld neemt veelal den vorm aan van allegorieën, wat ook weer een procedé is dat meer voorkomt in het mystiek streven tot ontsluiering van het Wezen, hoe paradoxaal dit ook klinken moge. Ik sprak hiervoor reeds van het beeld (en een allegorie is een suite van beelden) als het middel waarvan de Geest zich in de lyriek bedient tot bespiegeling van zichzelf, en dus van de natuur, den oergrond, het wezen van het Al. Is dit niet zich in een fatalen kringloop bewegen? Want is het Wezen niet juist in het beeld verhuld en is het niet precies het streven van alle lyriek (en mystiek) uit het beeld, uit de gestalte, als divinatorisch de idee, het wezen, den laatsten grand te openbaren? Plaatst men hier dus geen nieuw beeld, een waanbeeld zelfs misschien, in de plaats van het oude, reëele, dat althans het voordeel heeft in het bereik der zinnen te vallen? Hoe kan men in elk geval den zin der wereld, beeld van Zijnde, door nieuwe beelden onthullen? Deze vraag kan ik alleen beantwoorden door den zin van het symbool in herinnering te brengen, het symbool als expressie van een a-causaal ondergane ervaring van bovenzinnelijke orde. In elk geval, het beeld in de mystische lyriek is primordiaal, is de zin zelf van het onthulde, is, anders gezegd, als de onthulling te beschouwen. Dat deze nooit definitief of volledig kan zijn, nooit het « laatste » uitputten kan, is nu eenmaal ons menschelijk lot.

Het is mij opgevallen, hoe weinig de mystisch-metaphysische lyriek van « Het Bestendig Verbond » (de heele zin van dit werk ligt reeds in den suggestieven titel) prophetisch van karakter is. Daarmee is deze mystische poëzie nauw verwant met de mystiek van christelijke inspiratie. Waar Eemans’ bespiegelingen over het Wezen wortelen in de mythische vormen der Edda’s, wijst deze verwantschap wellicht nog eens, op een tamelijke verrassende manier, op de diepere overeenkomst tusschen Germanendom en Christendom, wat verklaart dat de Germaansche volken zoo volledig en harmonisch in de christelijke beeldenwereld zijn kunnen opgaan. Want geheel in tegenstelling met b.v. de Joodsche en Arabische vertolkers van het mysterie, zijn de christelijke mystici wellicht zieners. maar niet eigenlijk propheten. Zij zoeken de waarheden van hun religie niet met nieuwe waarheden te verrijken. Ze trachten de symbolen enkel te verdiepen, hun laatsten zin te doorgronden. En zoo zijn hier ook Marc. Eemans’ lyrische verbeeldingen niet als een soort prophetien te beschouwen, maar wei, naar mij althans wil voorkomen, als mystieke bespiegelingen verwekt door ’s dichters persoonlijke bejegening van de symbolen, die uit het weten der oude Noordsche volkeren den diepsten zin der wereld belichamen.

Aldus beschouwd staan Eemans’ gedichten in onze moderne poëzie vrijwel alleen.

Urbain Van de Voorde.

 

« Quære super nos… »
Augustinus. Conf. XC.


WIJDING

Vader, die voor eeuwig in mijn geheugen leeft,
geheiligd zij je naam,
boodschap van vertrouwen
van hoop tot bestendigheid.

‘k Ben slechts je zoon
en weet niet hoe je te spreken
maar je handen zoen ik lang
met de brandende lippen van mijn weten

Zeg, vader, aanhoor mijn beê,
‘k ben slechts een arm weenend kind

[p. 8]

dat smeekt om de milde gaven
van je zegenend woord.
‘k Ben geknield voor je toeë oogen
en snik en huil
om de schuchterheid
die me ver en veilig
van je leed gescheiden hield…

Zeg, vader, luister naar mijn ziel
die roept : ‘k ben je zoon,
we zijn beiden één
in moeders breede armen.

Ach vader mijn,
dank, dank om ’t licht dat je me liet,
alvóór je deinen ging,
o jij mijn bron,
mijn toeverlaat…

BEDEZANG

[p. 11]

O Gij, aanvang en verloop,
wij aanroepen U, Gij het Een,
vermenigvuldigd en steeds veelvuldig Een,
en adel van ’t eeuwig Al
op den drempel van ’t lichtend rijk,
zie, wij zijn de adem van uw Adem,
het woord van uw Woord
en het gebod uwer Geboden…

Maar helaas, Gij, Alvader ons,
waarom laat U ons steeds
gedompeld in de bange duisternissen
onzer eind’looze klachten ?

[p. 12]

Zie, tot U gaan onze gebeden
smeken U om genade
en rillen en zieltogen,
wij arme helden van den dood.

Wees met ons, Gij niet van ons,
en toch ziel van ons,
Gij flakkerende star
en voedsel van ons lot,
Gij boven al verheven
en noch van Oost noch West,
noch van Noord of Zuid,
Gij, noch van lucht of water,
noch van vuur of aarde…
en Gij toch dit al,
Gij alvermogende Daad…

O weerhoud toch de woede
der steeds tartende goden
die ons bestormen en belagen
met al de foltertuigen uwer geboden,

[p. 13]

uwer steeds herboren
en niets ontziende oerbeelden.
0 weerhoud toch hun woede,
Gij, al wat goed is
en ’t Al bewegend Onbewogen…
Gij, Gij…

Wees toch niet doof.
voor hen die daar staan,
verlaten en verdrukt,
arme helden van het zijn
en met allen nood beladen,
Erbarmen ! Erbarmen !

Want ziet U dan niet,
o grootsch rillend Gebeuren,
hoe wij daar staan,
heel broos en zoo luttel klein
– onwetend jong, onervaren –
in de droeve luiers van dien mist
waarin wij dwalen,

[p. 14]

heilloos bang …
met de vele kwellingen
en de vege wonden onzer ziel.
O Gij , Alvader ons,
we zijn slechts de helden van het wee
en ween en, ween en .. .
Breng ons toch de lafenis uwer Woorden
en ’t einddoel uwer Droomen ,
o groote Droomer !

HELDENZANG

[p. 17]

Te zingen van een held
die nimmer falen zal…

Zijn lichaam is een rijk van louter azuur,
van opwaaiend riet,
riet dat noch ruischt, noch denkt,
maar riet dat vliegt,
steeds hooger, steeds verder,
in een adelaarsvlucht
tot de zon.

Van op de aarde, van uit het water

[p. 18]

tot het vuur tot de lucht
brengt hij zijn lied tot de zon
en speelt, speelt met zijn ziel.

Aarde bij water,
vuur bij lucht,
zon bij zon,
ziel bij ziel
en held bij held…

Zoo verzon hij zijn zang,
zoo zong hij zijn lied
tot het beeld van de zon.

[p. 19]

Het Al kent geen getal.
de reien vallen open,
maar steeds uit de zelfde asch
herrijst de held.

De wegen van het zijn,
ontelb’re oogen van het Schiksel.
brengen hem steeds nader en nader
tot het epos van de vreugd
waaruit te leeren
hoe het zaad te zaaien
en den oogst te maaien.

[p. 20]

De bange strijd gestreden
ligt hij thans te droomen
luid-op te droomen
van vromen en vermeien,
om dan te herworden,
het lichaam verpuurd en gegood
in het dagende licht
van lang verwachten vreê.

O vrede der ziel !
O zuil…

[p. 21]

De laatste bedden van den waan ontloopen,
rust hij thans in d’armen van zijn stam.
Machtig boven al,
’t licht des wetens begrenzend
en d’aarde steeds inniger toegedaan,
hangt hij vuur en lucht en water
in liefde steeds dieper aan.
Bij late zonnewende
werd zijn lichaam geboren…
Thans woont het in de buurt van ’t vuur,
van ’t smeulend vuur der ziel.
Maar… tot ’n bestendige vlam herleid
zal zijn lichaam weldra
voor altijd oplaaien
en dan oplaaien
met ’n weinig eeuwigheid in den mond.
En toch blijft hij steeds de held,
de lang verwachte held
waarvan sprake in het boek
van ’t nooit vernoemde heil…

[p. 23]

Hij de nooit-verwezenlijkte…
maar hij die altijd verstuift,
van ’t laagriet tot ’t hoogriet,
steeds lichter, steeds verder
tot ’t louterend licht van vrede,
o nacht des geestes !

Genezen van den Geest,
vergeten in den Geest
en een te zijn met de aarde
in een laat lied van begeeren
waarin ’t al opengaat
en ’t leed van menschenburchten
ontvangt…

[p. 24]

Burchten van honger,
blakerende burchten
van louterende begeerten
in ’t bestendige zijn …
o wijsheid van zijn,
en orewoet !

Maar hij die altijd verstuift
staat daar naakt en wit,
geword tot de ziel
en met te veel hoop
in de doormartelde hand …

[p. 25]

O God en Schepper,
Alvader ons,
open toch de deuren
voor ’t arme lied van den held.
Zijn zielebeden wachten, wachten
en borrelen hoog, hoog
tot in ’t geruischlooze Niet …

AARDE

[p. 31]

O aarde, gij die slechts aarde zijt,
gewijde aarde,
die men met hart en lippen zoent
en die men nut uit liefde
tot de vrucht uws lichaams,
o gewijde aarde,
wees ons genadig
en laat in U gedijen
al wat gedijen wil.
Wees ons mild en zacht
en laat in vrede slapen
zij die rusten
in klei of zand
en thans berusten

[p. 32]

in de hoop
van latere zaligheid.
O aarde, gij ons aller voedster,
o vacht van ’t albegrenzend geruisch…
wees goed en rijk,
breng ons ’s heelals zware bronst,
laat in uw schoot den roep
der delfstoffen, diep en lang !

Moeder aarde, over uw vlakten heen
het gedreun van eeuwigheid
en over uw akkers en wegen
de lof der rijpe gestalten !

O aarde, vruchtbare oogst,
en stroom van dorst en lafenis,
breng ons heden het brood
van angst en pijn,
van bloed en wijn,
want morgen is het te laat
De spijs der hongerigen

[p. 33]

kent slechts een tijd,
tij-opwaarts in de goddelijke gasterij.

O gewijde aarde,
uw boomen en bloemen zingen den lof
der dagen en der jaren,
ze tooien zich met de vele kleuren
van uw adem en geuren den balsem
van uw kroostrijke huis…
O aarde, gij die slechts aarde zijt,
aanhoor het lied van den held.
Hij wil tot U terug,
en uit aarde geboren,
keert hij gelaten en geheel
tot aarde terug.

O zege der aarde,
O aarde der aarde !

[p. 34]

Land der vulkanen,
t’ allen kant met brokaat omzoomd,
de hoornen doorheen uw lava
zijn fluweelen anemonen …

Zwoele landen der aarde
die angstig staan te bloeien
doorheen het geel en het rood,
onder het witgrijs uwer hemelen
wonen voor eeuwig
de late teekens
van godes koele droomen …

[p. 35]

Land der vulkanen,
gloeiende gewaden dragen
in prachtige verhalen
de vlammen van uw slapen
tot in d’armen der genade.

Bruisend lava van toornend gekraak,
steeds dwarrelt uw zwoelzwarte rook
doorheen de gruisgruwelen der dood.
Maar in ’t zwalpend zwerk
hoort men reeds het gedaver van dondergeraas.
Het stijgt uit d’ingewanden der aard,
het raakt de snaren van de ziel
en maakt scherper het staal
in ’t hart van den stervenden held.

De laatste zoen der vulkanen
ligt thans geboeid
in de landen der hoop,
hoog boven de handen der goden …

[p. 36]

De dooden leven
hoopvoller en veel hooger
dan de schoonste regenbogen.

In de volheid der aarde
leven de dooden.
Ze zijn er als zon in den hemel
en bidden er voor de lafenis der zielen
van hen die nimmer zullen sterven.

Gij dooden, leest toch

[p. 37]

de kleine kerkhofblommen
tot ’n tuil roode anemonen …
brengt hun den zegen der helden.

Laat de dooden spreken,
ze weten immers beter dan wie ook
hoe te leven en te sterven.
Zijn ze niet het licht der aarde
en het voedsel aller hoop ?

Laat toch de dooden tot ons komen,
hun tocht over de beemden
van het land
is als een zwerm witte duiven
ontvlogen aan de hand
van milde eeuwigheid.

WATER

[p. 41]

Heil U, o zware water,
gij zwanger van de vele beloften
der Eliwagar,
o luier der aard

Water, gij waaruit het al
in trage bogen geboren wordt,
van regen tot zee,
met den drang naar zege er omheen,
Heil !

Wij leven van U, o water,

[p. 42]

en wielen in uw malsche vormen
als in een dons van wiebelend geweef.
Tot uw diepste diepten neerdalend,
luisteren wij naar uw boodschap,
want de gisting uwer wijsheid
is de koene bron van ’t hechtste zijn.

O golven van het water,
o zilte weeheid van ’t bewegen,
heden varen de schuiten
naar uw wijde leven uit,
uw steeds wijkende horizonten
achterna …

Ze zijn als een wolk
in het zwerk
en duif in ’t grijze gewuif
van barnende glui.

Heilvocht, vol inkeer en geboort,

[p. 43]

duister, heel duister is uw woord.
maar ’t licht uwer diepten
is ’t zonbarende wonder aller fuiken

Menschen, werpt toch het anker uit,
de visschen rillen en tanen,
de geesten zweven boven de waat’ren,
ze wachten op ’t laatste avondmaal,
en worden de visschen gegeten en genut,
’t is ter wijding van een god,
o spijs der diepten…

Maar water, gij koele bron
in de wording der tijden,
gij, late water van eeuwigheid,
kom den dorst der broeiing laven,
kom het lied der stervenden
weerkaatsen …
want nooit is het te laat
om in U op te gaan,

[p. 44]

oerzijn van het water
dat tot Aegir opklaart.

Draken leven in uw handen,
o Levenswater,
met in hun mond de spreuk
der zegetochten …
Ze waden door ’t woeste geweld
dat in morgendauw opgaat.
Ze schenken ons ’t duldig duur verbeien
van den waan,
hij die huiv’rend staat te bidden
te midden ’t wonder gehuil
uwer vele festijnen.

Heilvocht vol inkeer en geboort,
duister, heel duister is uw woord…
en toch hoort men het hoog,
heel hoog in ’t zorg-gezeul van de zangen
waarin ’t oude leed opgaat

[p. 45]

op ’t nooit verzadigd schoonheidsfeest
uws schoots, o water …

Duister, heel duister is uw woord.

[p. 46]

De zee, de zee altijd verpuurd,
de zee die water met water verzoent,
ze spreekt tot ons gemoed
en spreekt van kenterende bronnen.

Met tij en tegentij
gaat van einder tot einder
het heilvocht van de zee
een zoo verruimt zich het water
van wolk tot regen…
En door mist en dauw heen,
tot in de diepste gestalten der hemelen,
vaart wit en vaal de zee,

[p. 47]

vaart ze met ’t landschap mee
tot in de sfeer der melodijen
waarin de meeuwen alle onheil laven
en de dolfijnen ’t schuim komen grazen …

Maar de zee, de zee altijd verruimd,
de zee die ziel met ziel opjaagt,
ze zingt het lange lied aller symbolen
om dan heel stil
op ’t mulle zand
van ’n goudgeel strand
de naakte voetjes te zoenen
van ’t mooiste kind
aller landen …
Wij kinderen van de zee

VUUR

[p. 51]

Aanhoor de bede van den mensch,
o wit zuiverend vlamsel van den nacht
Geef hem heden de vruchten der dood,
o geef hem het brood
uwer wegvliedende ziel.
geef hem smart en smart,
geef hem de gloeiende hazelnoot,
o vuur…

Het laaiend braambosch hoort en ziet
in het licht van den brand.
De rook is Surt’s goede schild
en de stem van ’t krakend vuur

[p. 52]

verwittigt zacht en lang
tegen ’t smartgebeuren
van broos-smeulende asch …
De vlam stijgt steeds hooger
in de handen van den mensch
en de mensch zit knielend
te midden van zijn hoop,
hij warmt zich aan zijn dorst
en wacht op beet’re vreugd
in nog diep’re zielebrand …

O nakend vuur…
geef het toch de gloeiende hazelnoot !

Vuur en gij vuur,
uitwaseming der goden,
o ongenaakbaar gewiel.
bewonder deze milde gaven
van zeer zachte droomen,
gekluisterd in de banden
dezer allerzoetste handen…

[p. 53]

Uw vlammen verworden
van het ijle tot het diepe,
en zijn als het goede lied
van hen die huiverend bidden…

Maar vuur en gij vuur,
hoort toch het zorggezeul
van ’t nooit verzadigd avondfeest
der bloedkoralen stormen,
o vallende zielen,
doodbeidende bloemen,
loom-moede bloemen
van schroeiende vlammen,
hoort toch de spreuk der goden,
bekoort den draak,
verkoolt den basiskus
en met hem de skorpioenen…

Eerbiedigt den blanken eenhoorn,
o witte vlammen van den nacht,

[p. 54]

laat het leven in zon opgaan,
o zonnewiel.
want nooit is het te laat
om met God om te gaan

[p. 55]

O toren van den dood,
gij teeken des eeuwigen,
waarin het offer der genade woont …
in uw schoot draagt gij het lied,
want in uw schaduw leven de dooden
steeds hooger.
Ze zijn er als een stille vlam
van simpel verworden,
ze zijn er als een mythe
op het altaar der nevelen.

Mensch, zoutkorrel en schim,
bezoedel nooit het vuur

[p. 56]

in d’handen van ’t gebeuren,
maar uw lijk warde het nut der gieren
in dïngewanden van den toren.
Laat het vuur, laat de vlammen …
verlaat de diepste droomen,
beklim den toren,
roep den noodletsvogel
en toon hem de vlam
van uw zuivere zijn
in d’oerwezenheid van Surt’s glorie…

De toren van den dood
pronkt te midden het grootsche toermalijn.
Hij is het bloeiend bergmeer
in de hoogste kruin van ’t geweten,
’t almachtige rijk
van zang en vuur en psalmgeluid,
o vlam !

LUCHT

[p. 59]

O lucht, gij lucht der luchten,
eindloos hebt ge den mensch gemaakt,
en bij d’aanraking van uw zuchten
zingt hij in stille gelatenheid.

In de mazen van uw zijn verstrikt,
voelt hij zich als een rilling
van ’t eeuwig verbeiden.
Zijn ziel is naar de witte lijn
uwer vele gestalten getoetst,

[p. 60]

o lucht, gij meester en princiep
van steeds immer herworden.
Maar lucht der luchten, luister,
hoort ge niet het geflits
van de nachten ijl ?
Thans is het windtijd
die gaven met gaven vergeldt,
drang in ’t gedrang,
en de strijd in stormen beslecht.
O lucht der luchten,
die van uit de hemelbergen
tot in de zwadderdalen neerwervelt
met vogelen, duister aangevlogen,
en die ’t erlangen der regenbogen
opjaagt…
kom van uit uw windeinders,
kom naar het alting
waar menschen met menschen vergaderen
en ’t elementale bezweren.

[p. 61]

Hun zang is als de drang
naar onbekende klachten.
Hun zang luidt uw begrip,
o lucht !
en hun zang is de stilte
van Hraeswelg’s waaiende vlerken.

O lucht der luchten,
adem van adem,
kom de menschen begroeten
met de vele gedaanten
uwer blinde hartstochten.
Laat de blinden, laat de wijzen,
de harten slaan open
en toonen liefde
die in liefde wordt gediept.
Laat het avonden, laat het morgenden,
de dagen zullen immer dagen
boven de hoofden van de menschen.
De geest waait waar hij waait …

Op het alting waait de geest,
hij slingert de helden opwaarts,

[p. 62]

hij herschept de laatste mogendheden
van den mensch
en zegent de zielen aller zinnebeelden.

De geest waait waar hij waait.
alles verstuift en vergaat …
zoo luidt het in het boek
van ’t nooit vernoemde heil.

[p. 63]

Mensch, leef met toeë oogen,
blijf het evenbeeld uws zijns,
lees het boek der winden,
kom de verre winden
in bonte schelven lezen :
het schip der winden is herrezen !

Mensch, sluit de oogen,
open de zeilen van ’t gebeuren.
De wind staat op,
o laat de deuren van uw geest
wijd open voor den wind !

[p. 64]

Mensch, luister naar den wind,
luister naar den zin zijner stem.
Ze is heel licht en zwaar
rond het ruime turkoois
van zijn eeuwig gezwoeg.

De duisternis is heen,
thans is de macht van den wind
als het ijle der gedachte
en meester van het heil…

Wind, o wind,
gij alleen zijt nog de wind
want alles is weg en dood
uit eeuwig heimwee
naar uw lichtende wolken,
o wind !

NAZANG

[p. 67]

Onmeedoogende werelden in den baaierd,
wonder-grootsche ijlten van zijn
door sprankelend vuur omzoomd,
brug naar walmende luchten,
chaos van aarde en water,
o schrikbeelden van het zijn,
weest genadig in uw bittere min
voor hen, arme stumpers, die bidden en smeken,
eenzaam en gedwee …
te midden ’t oneindige
uwer vele tormenten.

Vijandig-tronende duisternis,

WOLA’S VISIOEN

[p. 73]

Grauw, steil. ongenaakbare rotsen
en tegen de rotsen aan
de wild hongerende golven der zee,
maar boven de rotsen, hoog,
de gestalte eener vrouw,
wijzeloos onfaalbaar,
opgenomen in den geest.
die gaat… gaat
de diepste Minne tegemoet.

Ik ben de strenge boodschap
van voortvluchtende winden,
sprak plots Wola’s mond,
en de rotsen werden onzichtbaar
in den engenaakbaren boog
van het komen en het gaan,
maar de rotsen hoorden en zagen …
ze zagen het begin en het einde
van hun almachtige rijk.

Traag ging Wola den weg op
tot den troon van het weten
waar de voog’len worden opgelaten.
Daar kwam ze dan in de buurt der winden,
der winden die nimmer sterven willen,
maar eeuwig bloeien zullen.
Zoo ging ze den mensch,
langs d’oneindigheid zijns lichaams
tegemoet
en opnieuw sprak Wola’s mond :

Mensch,
gij schakel in de keten,
gestalte in het hemelbeeld van het zijn,

beursche geschapenbeid
in kolken van vermetelheid . ..
doorheen uw geheugen bruist het ontstaan
van innig vuur
en in uw hand het gehalte
eener nieuwe bestendigheid.

Mensch,
gij, aanvang en verloop,
lichtende bruising in de wording
van de dagen …
’t milde water der zee
blijft in uw oogen geborgen,
thans gaat de vallei open
en hoort men uw stem
als de roep aller sterren.

Mensch,
gij, licht van blinde geschapenheid,
steunpilaar in de dichtheid
van strenge bezinning…

[p. 76]

de zee is uw laatste inhoud
en het gesternte van het zijn,
heelal van ijlheid,
het zinnelijk begin
van uw lang verwachte dood.

Mensch,
waarom te bidden,
waarom te haten en te vloeken ?
Laat de zwoele moeheid varen,
ga van Verleden tot nog verder Verleden,
o kom de vruchten der aarde
toch nader …
kom!

Alzoo sprak Wola’s mond
en de diepste Minne in haar
werd als de echo harer stem,
maar in de branding
ging W ola steeds verder in ’t begrip
van ’s menschen goede heil,

[p. 77]

en haar oogen werden ziend,
den troon van ’t weten overvademend.

De adelaar trok zonnewaarts,
de draak dwaalde rond haar,
de bladeren ritselden om haar slapen
en plots stond ze pal.
den oergrond des bloeds ten dienste,
en in haar diepste lied
klaarde de Minne op,

Hier is de tak en daar het blad,
hier het mes en daar het offer.
Reeds stroomt het bloed
en boven den wijzang uit
komt het geluid van den nakenden storm
waarin Wola’s oogen voor eeuwig
zullen branden…

O dan te herrijzen,

[p. 78]

na negen dagen, negen nachten
het zijn te hebben toebehoord…
O dan te herrijzen,
na negen dagen, negen nachten,
aan eigen pijn te hebben geleden…
en dan tot het diepste te reiken !

O gedurende negen dagen, negen nachten
van het zijn te hebben gehuild,
veel luider te hebben gehuild
dan de stormen en d’orkanen,
om dan te herrijzen met de wijsheid
in de doormartelde handen,
o wijsheid van zijn…

O van de smarten bevrijd te worden
en gedurende negen dagen, negen nachten
in eigen runen te lezen,
heil-runen, diep en hoog,
het lang verwachte woord,
o Minne !

[p. 79]

De runen zongen
en zongen het begin en het einde . ..
en Wola verdween
en sloot de oogen.

Maar later,
wanneer de Stem zal spreken
zal de mensch hare Boodschap bestendig en
en in stilte
tot haar gaan…

RITUAAL

[p. 83]

Plechtig en rein,
grootsch onthoogd en ontzonken,
stond hij daar thans,
hij, de Opperheer aller Riten.
Uit gansche naaktheid,
tot nog breedere veelheid van zijn.
stond hij daar
voor ’t wijzeloos onbegrensde.

Met toëe oogen,
van uit den nacht zijner zinnen,
boven de verzwonden winden heen
Was hij tot den dag zijner ziel

[p. 84]

opgeklaard
en nu zegende hij het lied
van ’t elementale zijn.
Hij , de Opperheer aller Riten,
heeft de runen geritst
en het Woord gesproken,
en water en vuur,
aarde en lucht
zijn tot zijn Woord
opgeklommen
om te rusten op zijn tong
wen ’t heelal in vrede
zou berusten…

Heerschappij
bracht hem het Woord
en met haar het Verbond
waarvan sprake in het boek
van ’t nooit vernoemde heil…

De weigerigen werden geveld,

[p. 85]

de laatste pijlen geschoten
en voor ’t jongste Gericht
sprong het leven open.
Van uit de verste oorden
kwam dan het gejubel
van cyther en psalmgeluid,
en van orgelende boomen…

En dan de Stem
die kwam en ging
en die sprak van kenterende vrede.
Het was de Stem der eening
die van uit de hoogste sferen kwam
en die nu de Opperheer
en met hem
het heir zijner helden
tot Minne opvoerde.
Het Eeuwige verdween
voor ’t wijsloos Onbepaalde
en boven het altaar
kwam het Symbool te staan.

Maar het teeken der ontaarding
bleef wapperen op de torentransen.
De tinnen en kanteelen
bleven rood, bloedrood graniet
in ’t hart van den Opperheer
en ze bloeiden steeds wilder…

Nog inniger werden de gebeden,
nog stiller de stilte,
maar het Slot bleef gesloten …
De tinnen en kanteelen,
in hun onmeedoogend graniet,
bleven de helden bedreigen,
toen plots de grootste duisternis
over de werelden kwam
om alles tot nieuw gebeuren
in de scheppende hand
der godheid op te blazen.

Zoo ging de Opperheer
van kreits tot kreits

[p. 87]

gevolgd door de schaar zijner helden,
en zoo kwamen ze tot bij de Moeders
die alle volkomenheden
in hun schoot omvatten…
Daar kwamen ze in ’t bezit
van hetgeen ze nog ontbeerden
om tot waarheid op te groeien.
En verder ging de schaar der helden.

Allen droegen thans het witte kazuivel
en het blanke zwaard hoog.
Er was licht in hun oog en…
en ze gingen, gingen
tot in den top Ygdrasill’s
en als sterren in den hemel
was hun schitterende menigte.

Driemaal negen dagen, negen nachten
duurde hun tocht
en toen de laatste ochtend kwam
droegen ze allen een kroon

[p. 88]

waarop de vier teekens des Verbonds
in gouden praal stonden gedreven.

Ze waren geen helden meer,
ze waren geen zielen meer,
ze waren nog slechts het sieraad
eener diepere werkelijkheid,
en hun glans was als de glans
van miljoenen zonnen.
Ze waren nog loutere ijlheid
en wezenloos te midden weesloosheid…
De tijden der geneuchten
waren thans aangebroken,
want Liefde had hen in liefde
doen stijgen
tot nog lichtere ontblooting,
tot nog diepere vergoding.

Ze leefden nog slechts in oerdrang,
en orewoet.
Eén waren ze geworden…

[p. 89]

en ze waren bloem en vogel.
en ze waren bron en zee,
en ze waren rots en aarde,
en ze waren wind en lucht,
en ze waren vuur en zon,
en ze waren het licht…

Ze waren leven en dood

en ze waren God
en ze waren het Al.

Knokke, Augustus 1930,
Brussel, 21 Mei 1940.

%d bloggers liken dit: