Nawereldse minnezang

I.

O thans te zingen in de richting van onze hiernamaalse Vreugde, die Vreugde die niet meer van onze aarde is, noch van de vruchten van onze dromen, doch van de vermenigvuldiging van onze dood…

Ach, ik de zanger in ’t empyreum van een wonderbare liefde, een liefde tot ongenaakbaar licht verhemeld, en tot het eeuwige in mezelf…

De zang van ’t weelderig liefdebedrijf mijner ziel met de ziel van de geliefde, en de trillende boog van die liefde boven de zonnige Vreugde van onze liefdespelen in God…

Het rijk van die zang boven de begeerten van alle muziek, en in d’onsterfelijkheid van onze bestendige Vreugde, o de zachte heerlijkheid van die ontaarding in gebed…

II.

Liefste, o jongste Bruid op de bruiloft des Geestes ! ‘k Juich je in stilte toe, boven de triomf van al hetgeen ons zo driest op aarde blijft scheiden…

Hier de mythische ring van onze ening in de ons beiden omvademende godheid des Geestes en het heillied van onze tochten over de weeldeoorden onzer diepste warmte…

Liefste, o heerlijke Bruid over de zeeën van mijn liefde uitgespreid, en met de wazigste wolken van mijn strelingen geloofd, hymnisch bemin ik je…

En ‘k glimlach tot jou met het stralend gelaat van de bloemen, en ook met de lippen der kwelende sprookjesengelen in Minne…

III.

Die Minne, o heerlijke Bruid, is van de gaven der Godheid in ons, en van onze goede Vreugde in de ruisende schoot van de Almoeder-ons…

Weet je het nog, o allerliefste druivenrank in de bedwelmende wijngaard van onze wiegende Almoeder…

Zeg weet je het nog, o mijn Liefde boven de paring van de mensen, dat we eens tot lijden om elkaar werden geroepen…

Doch staan we thans reeds niet veel verder dan het lijden: aan gene zijde van het menszijn, en thans reeds te midden van louterende Minne…

IV

Mijn minnespel met jou, jij Bruid van Licht en Dauw, ach, het dansend Spel in het ijle van ons niets, en toch iets…

Zeg, Liefste, reik me de hand ter duizelingwekkende vaart door het niets, en Opdat je me zou gedenken in de bonzende stilte van je bloeiend hart…

Opdat je me zou gedenken, ik je gekerkerde dweper in de roes van alle vereenzaming, en in Godes hangende tuin verdwaald…

Zeg, weet je nog die zomeravond van zachte bekoring, toen de kastanjelaren reeds lang waren uitgebloeid en ik je over je hele lichaam heb gezoend…

V

Liefste, jij Bruid van het minnespel in het Rijk van onze eeuwigheid, en de kroon van deze stille traan ter wille van het wee dat uit verzaking opwelt…

Muziek hoor ik thans om je donker haar, muziek die uit je lichaam opwelt en tot het zuchten van mijn gedachten tot jou opgaat…

En ‘k hoor die muziek die me van ’t onzichtbaar zaad prevelt, van het zaad dat voor de oogst van onze oneindigheid werd gezaaid…

O de verrukkende opstanding van dit zaad ter inspraak van al wat jouw bekoring in het Rijk van onze eeuwigheid gedijt…

VI

De poolster, en ook het zuiderkruis, stil, boven onze liefde ter duiding van onze innerlijke zee en ter begeleiding van ’n veelstemmig lied, een lied zonder eind…

‘k Pluk thans de verre gaven van alle waanaromen, en ‘k bedwelm me met de vergeefse rust van ’t onmogelijk aanzijn in je ogen…

‘k Zoek je te noemen met andere woorden dan die van de wereld, en met zachte geluiden als van de nooit moeë hemel in ’t geluk van je eigen liefdewensen…

En in die na-wereldse zang van versterving Boem ik je met de woorden des Geestes, en prevel ik heel stil en zacht : “o jij, mijn Minnegeheim in Vreugde…”

VII

Ach, Liefste, kon je Vreugde maar van geluk stralen in de woonst van jouw Minne, ach kan ik je maar naar de Bruidegom van jouw wereld leiden…

‘k Zou je op de vleugelen van mijn liefde dragen, en ‘k zou je nog mooier dan met de maagdelijke bruidsluier van deze aarde tooien…

‘k Zou je nog inniger bezingen… met al de toverwoorden van mijn hymnische kunst, en met de mythos van een nieuwe Orpheus…

Je weet, die Orpheus van over de bergen, met het licht van de Bruid in de stralende armen, triomfantelijk-verheven, ach…

VIII

‘k Heb je steeds gegood en je tussen je zusteren de sterren geplaatst. Daarom, o Liefste, beschaam me niet in mijn orphisch gedweep…

Laat het aan d’anderen over, aan de verguizers van al hetgeen nog van grootsheid in het menselijk tekort kan ]even, om me te bespotten in mijn zang…

Laat het aan d’aanbidders van de al te broeierige geneugten over mijn onaardse lied van verzaking aan de kleur van hun zwaddertaal te toetsen…

Laat het hun over me in hun laksheid te honen en mijn zwanenzang met het zwart misprijzen van hun goddeloosheid dood te verven…

IX

Ach, Liefste, van de sterrenhemel uit waar je thans in mijn hart leeft, speel toch met mij het lichtende Spel van alle verheerlijkingen mee…

En tracht voor eeuwig, in mijn ogen, als de Maagd van alle Bruiloften met het koraal der hoogste vreugden boven mijn liefde te leven…

Ja, ’n glimlach van je trouw in Vreugde is voldoende opdat ik voor jou eeuwig in de blakerende Tuin des Heren zou blijven bloeien…

Daarom, o Liefste, gun me in dit lied van zo hoofse minne dat ik me heel en al in het sacrale Spel van jouw Liefde zou inleven…

X

‘k Berust thans in en om je leven, o zo rein… en met de diafane tekening van je ziel voor mijn nog immer door je zon verblinde ogen…

En ‘k voel je eveneens in en om mij 1even, als ’n bestendige aanwezigheid in poësis die ‘k boven mezelf in heerlijkheid draag …

’n Echte vita nuova is uit de heerlijkheid in poësis opgeklaard, zodal we thans, wij ruisend-ranke riet, tot ’n andere wereld worden geboren…

Een elyzees veld heet hel te zijn, dit oord van onze extazen, waar we thans onder de zaligmakende wind van onze minnegoden als eolusharpen om elkaar weten te trillen …

XI

Een elyzees veld voor de zielerust van die verscheurde Orpheus en de zalvende hand van de hervonden Eurudike onder de pijnbomen van mijn lustwarande in poësis…

De geest van de verscheurde Orpheus waaiend boven de bespottingen en de moorddaden der Mainaden, o het wonder van de zingende geest in poësis…

En jij, o mijn stille orante ter vereeuwiging van al het wondere dat in het zwevende van mijn orphische genade opbloeit…

Jij, mijn lied ter minne en het biddend thema van dit lied… ‘k zoen je over
al de zeeën van je lichaam en ik zucht, ik je verscheurde Orpheus …

XII

Doch ‘k ben thans in licht herrezen en mijn al te werelds stol, in de tempel van de gaafste oranten geborgen, heb ik voor eeuwig om jou verlaten…

En thans genaak ik de cella van je waarste aanzijn in Minne, o mijn verre Eurudike !
‘k betreed ze als geruisloos en met al de ootmoedigheid van de ons zo dierbare stilte…

Ach die stilte boven de eolusharpen van ons weten, die stilte als van de bestendige ontginning der Minnegoden in de na-wereldse zang van ons zijn…

De stilte van de verzakende Minne in ons, en als de verre echo van die eindeloze zang, o jij, mijn zang… zonder eind… o goddelijke poësis in het goddelijke van ons zingend zijn…

en Eros – Thanatos…

Midzomer 1948.

%d bloggers liken dit: