Tweede manifest van het surrealisme

Ook al heeft ieder die zich op het surrealisme beroept of beroepen heeft op zijn eigen manier gehandeld, men zal moeten toegeven dat, vanuit intellectueel en moreel oogpunt bezien, het surrealisme geen ander doel met zoveel kracht heeft nagestreefd dan de totstandkoming van een zo algemene en ingrijpend mogelijke bewustzijnscrisis en dat zijn historische betekenis afhangt van het welslagen van dit streven.

In intellectueel opzicht ging het erom, en gaat het er nog om steeds met alle ten dienste staande middelen en tot elke prijs aan tonen en te bewijzen hoe gekunsteld de aloude antinomieën zijn di schijnheilig ten doel hebben elke ongewone onrust van de mens bezweren, al was het maar door hem een armzalig idee te geven van zijn mogelijkheden en hem te tarten op bevredigende wijze aan de algemeen gangbare repressie te ontsnappen. De vogelverschrikker van de dood, de tingel-tangel van het hiernamaals, de schipbreuk van het meest gezonde verstand in de slaap, het loodzware gordijn van de toekomst, de torens van Babel, de spiegels der onbestendigheid, de onneembare, met hersenen bespatte zilveren veste, deze al te aangrijpende beelden van ’s mensen rampspoed zijn wellicht slechts beelden. Alles wijst erop dat er een bepaald geestelijk punt bestaat waar leven en dood, werkelijkheid en fantasie, verleden en toekomst, het zegbare en het onzegbare, hoog en laag niet meer als tegenstellingen waargenomen worden. Welnu, hier moet de drijfveer van het surrealistisch handelen gezocht worden, de hoop namelijk dit punt te kunnen bepalen. Daarmee wordt duidelijk hoe dwaas het zou zijn het surrealisme uitsluitend een destructieve of een constructieve betekenis toe te kennen: het desbetreffende punt ligt a fortiori daar waar deze beide niet meer tegen elkander kunnen worden uitgespeeld. Het is eveneens duidelijk dat het voor het surrealisme van weinig belang is ernstig rekening te houden met wat er elders gedaan wordt onder het mom van kunst, en zelfs anti-kunst, van filosofie of anti-filosofie. In één woord:. met alles wat niet tot doel heeft hetgeen is om te smelten tot een innerlijke, blinde diamant die ziel van ijs noch ziel van vuur is. Wat voor profijt kan het surrealistisch avontuur opleveren voor degene die zich bekommert om de plaats die hij in de wereld zal innemen? In dat mentale oord waarvanuit men nog slechts voor zichzelf een gevaarlijke maar, dunkt ons, sublieme verkenningstocht kan ondernemen, kan men evenmin het geringste belang hechten aan de voetstappen van hen die komen of van hen die gaan: voetstappen in oorden waar het surrealisme, per definitie, geen oor heeft om te luisteren. Het surrealisme mag onder geen beding overgeleverd worden aan de grillen van deze of gene. Het surrealisme zegt via eigen methoden in staat te zijn het denken te bevrijden van een steeds drukkender juk, het op het spoor te zetten van het volledige inzicht en het zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te geven; dat moet genoeg zijn om het alleen te beoordelen naar wat het heeft gedaan en naar wat het nog te doen staat om zijn belofte gestand te doen.

Alvorens echter die balans op te maken, moet vastgesteld worden op welk type morele deugden het surrealisme nu precies een beroep doet. Het wortelt immers ook in het leven, en ongetwijfeld niet toevallig, in het hedendaagse leven zodra ik weer het anecdotische invoer zoals de hemel, het tikken van een horloge, de koude, een gevoel van onbehagen, dat wil zeggen zodra ik er op een alledaagse manier over praat. Dit alles bewust doordenken, zich vasthouden aan de een of andere sport van een wegrottende ladder, zoiets kan men alleen wanneer men ascese tot het uiterste beoefend heeft. Juist de walgelijke opborreling van deze zinloze voorstellingen creëert en voedt het verlangen om uit te stijgen boven het ontoereikende, dwaze onderscheid tussen mooi en lelijk, tussen waar en vals, tussen goed en kwaad. De geest stijgt op naar een wereld die eindelijk bewoonbaar is; maar de kracht van zijn vlucht hangt af van de mate waarin hij zich verzet tegen het idee een keus te moeten maken. Zo wordt het begrijpelijk dat het surrealisme er niet voor is teruggeschrokken algehele opstand, totaal verzet en perfecte sabotage tot dogma te verheffen en dat al zijn hoop is gevestigd op geweld. De eenvoudigste surrealistische daad is met een revolver in de hand de straat op te gaan en lukraak, zoveel als mogelijk, op iedereen te schieten. En iedereen is degene die nooit in zijn leven de neiging heeft gevoeld op die manier af te rekenen met het heersende systeem van getrapt en geslagen worden; zijn buik zit ter hoogte van de loop.

De rechtvaardiging van een dergelijke daad valt volgens mij goed te rijmen met het geloof in het schijnsel dat het surrealisme diep in ons tracht op te sporen. Mijn bedoeling is alleen hier de wanhoop van de mens te berde te brengen; niets anders kan dit geloof rechtvaardigen. Men kan onmogelijk slechts één van beide accepteren. Wie zou voorwenden het geloof aan te hangen zonder deze wanhoop echt te delen zou al heel snel door hen die weten als vijand onderkend worden. Deze mentale instelling, die wij surrealistisch noemen en die men zo intens met zichzelf bezig ziet, lijkt steeds minder voorlopers van node te hebben en wat mij betreft, ik vind het best dat juridische of andere commentatoren deze voor specifiek modern houden. Ik heb meer vertrouwen in het huidige stadium van mijn denken dan in alle betekenissen die men een voltooid oeuvre of een afgesloten mensenleven toedicht. Niets is tenslotte sterieler dan het eeuwig ondervragen van de doden: heeft Rimbaud zich kort voor zijn dood bekeerd? Kan men in Lenin’s testament aanwijzingen vinden voor een veroordeling van de huidige politiek van de IIIe Internationale? Is een lichamelijk gebrek van hoogst persoonlijke aard waar hij niet tegen bestand bleek de grote drijfveer van Alphense Rabbe’s pessimisme geweest? Heeft Sade, tijdens de Conventie, een contra-revolutionaire daad gesteld? Deze vragen stellen is al voldoende om de broosheid in te zien van getuigenissen van hen die niet meer zijn. Te veel schurken hebben belang bij dergelijke geestelijke ontkleedpartijen dan dat ik ze op dat terrein zou volgen. Als het om opstand gaat heeft niemand van ons voorlopers nodig. Graag benadruk ik, dat persoonsverheerlijking, zelfs als het ogenschijnlijk om grote mannen gaat, gewantrouwd moet worden. Op één uitzondering na, te weten Lautréamont, hebben ze allemaal hier of daar dubbelzinnige sporen nagelaten. Het is overbodig om nog over Rimbaud te discussiëren; Rimbaud heeft zichzelf bedrogen, Rimbaud heeft ons willen bedriegen. In onze ogen is hij er zelf schuldig aan dat hij bepaalde kwalijke interpretaties van zijn denken, zoals die van Claudel, niet volstrekt uitgesloten heeft. Jammer ook van Baudelaire, met zijn tot Satan gerichte litanie en zijn ‘eeuwige leefregel’: ‘elke ochtend bidden tot God, bron van kracht en gerechtigheid, tot mijn vader, tot Mariette en tot Poe, als middelaars’. Nu weet ik wel dat hij praat over het recht jezelf tegen te spreken, maar dit voert me toch te ver! Tot God, tot Poe? Poe die heden ten dage, in de vakbladen van de politie, terecht beschouwd wordt als het model voor wetenschappelijke detectives (van Sherlock Holmes tot Paul Valéry…). Is het geen schande een type politieman, en niets anders dan politieman , in een qua intelligentie positief daglicht te stellen en de wereld een politionele methode aan de hand te doen? Laten we Poe en passant een schop geven. Men kan niet van ons verwachten dat wij enige tolerantie, laat staan goodwill opbrengen voor welke instelling dan ook die de maatschappelijke orde bestendigt. Dat zou werkelijk pure waanzin onzerzijds zijn. Als surrealisten verwerpen wij immers zonder enige aarzeling de opvatting dat alleen de dingen die <zijn> tot de mogelijkheden behoren; wij zijn van mening dat datgene waarvan men beweerde dat het <niet was> bereikbaar is via een weg die <is> en die wij iedereen kunnen laten zien en volgen; wij hebben geen goed woord over voor de platvloersheid van het westerse denken; wij deinzen niet terug voor een opstand tegen de logica; wij zweren niet dat een droom-handeling minder zin heeft dan een in wakende toestand verrichte daad; wij zijn er zelfs zeker van dat de dag zal aanbreken (ik zeg tot nader order: de dag, ik zeg: tot nader order) waarop men met de tijd afgerekend zal hebben. De tijd: afgezaagde, sinistere grap, steeds ontsporende trein, op hol geslagen hartslag, onontwarbare knoop van kreperende en gekrepeerde beesten. Alles moet gedaan worden, elk middel is goed om de verankerde begrippen gezin, vaderland en godsdienst te vernietigen. Ook al is de positie van de surrealisten in dit opzicht genoegzaam bekend, men moet goed weten dat het surrealisme geen compromissen duldt. Zij die zich tot taak stellen deze positie te handhaven brengen dit steeds naar voren en lappen elk ander waarde-criterium aan hun laars. Ze hebben aanhoudend behoefte om als barbaren met de Franse vlag de draak te steken, om elke priester publiekelijk uit te kotsen en om het vèrdragende wapen van het sexueel cynisme te richten op het broedsel van de ‘primaire plichten’; en juist deze behoefte wekt bij het burgerlijk publiek, dat altijd kruiperig bereid is ‘jeugdzonden’ te vergeven, een goed gespeelde reactie van verdrietige teleurstelling. Van dit ‘verdriet’ willen ze volop genieten. In welke vorm het zich ook voordoet, wij verwerpen onverschilligheid ten opzichte van het poëtische, kunst als vermaak, erudiet speurwerk en zuiver speculatief denken; wij willen niets van doen hebben met grote noch kleine spaarders van de geest. Hoe wij ook in de steek gelaten, bedrogen en verraden worden, wij gaan door met onze strijd tegen deze beuzelarijen. Het valt trouwens op, dat de mensen die ons gedwongen hebben het zonder hen te stellen elk houvast verloren zodra ze op niemand anders dan zichzelf aangewezen waren en dat ze de meest miserabele uitvluchten hebben moeten verzinnen om weer in de gratie te komen bij de orde-bewakers die allen groot voorstander zijn van geestelijke nivellering. Dat komt doordat een onwankelbare trouw aan de verplichtingen die het surrealisme met zich brengt vooronderstelt, dat men onbaatzuchtig is, risico’s durft te nemen en elk compromis van de hand wijst; en op den duur blijken slechts zeer weinigen hiertoe in staat. Al zou er niemand meer over zijn van hen die als eersten het surrealisme als toetssteen gebruikt hebben voor de zin van hun bestaan en voor hun waarheidsdrang, dan nog zou het surrealisme leven. Het is te laat! Met de angst en de andere variëteiten van in vrijheid groeiende gewassen zal het zaad eindeloos kiemen op de akkers van de mensheid. Hun heerschappij zal komen. (…)

Het surrealisme kan niet terecht of ten onrechte vertrouwen stellen, om de simpele reden dat het surrealisme nergens op vertrouwt. Noch op de wereld der zinnen, noch zonneklaar buiten de wereld, noch in de eeuwigheid van associaties die ons bestaan laten voortvloeien uit een natuurlijke noodzaak of uit de gril van een hogere macht, noch ook in het belang dat de ‘geest’ zou hebben bij onze losse klandizie. En nog veel minder, dat is duidelijk, in de wisselende bronnen waaruit geput werd door degenen die in eerste instantie aan het surrealisme hun vertrouwen schonken. Ook al zijn er mensen, ook al zijn er zoveel mensen als men wil, van wie de opstandige gevoelens gekanaliseerd worden en uitdoven, zij zullen er niet in slagen de opstand te dempen: de geschiedenis zit vol met dergelijke gangen naar Canossa. Evenmin zullen zij kunnen voorkomen dat de opstand, in de grootse momenten van duisternis, het steeds herrijzende prestatie-monster temt. Overal in de wereld, op scholen, in fabrieken, op straat, in seminaries en kazernes vindt men op het ogenblik jongelui die nog niet bedorven zijn en weigeren zich te plooien. Ik richt me alleen tot hen; voor hen alleen wil ik het surrealisme vrij pleiten van de beschuldiging dat het, alles wel beschouwd, niet méér is dan een intellectueel tijdverdrijf. Laten ze, zonder vooroordelen die niets met de zaak van doen hebben, trachten te begrijpen wat ons doel was; laten ze ons helpen, laten ze één voor één de wacht overnemen als dat nodig mocht zijn. (…)

De duivel verhoede dat het surrealistisch denken, zoals elk ander denken dat vaste vormen begint aan te nemen, al datgene aan zich onderwerpt wat men maar aan voortreffelijks kan bedenken op het vlak der feitelijkheden, juist zoals de liefdesgedachte een concreet wezen probeert te scheppen of zoals de Revolutie-gedachte tracht de dag van de Revolutie te laten aanbreken (als dat niet zo was, dan zouden deze gedachten iedere zin verloren hebben). Laten wij er nogmaals op wijzen dat het surrealistisch denken eenvoudigweg streeft naar een volledige herovering van onze psychische kracht met geen ander middel dan de duizelingwekkende afdaling in onszelf, door een systematische belichting van de verborgen oorden en de voortschrijdende verduistering van alle overige oorden, de voortdurende speurtochten op streng verboden gebieden en dat zijn activiteiten hun einde redelijkerwijs nog niet gevonden zullen hebben zolang de mens erin slaagt een dier van een vlam of een steen te onderscheiden. De duivel verhoede, zei ik, dat het surrealistisch denken zijn wegen rechtlijnig uitstippelt. Wij moeten volstrekt doen alsof wij werkelijk in de wereld staan om dan vervolgens enige reserves te formuleren. (…)

Ik weet niet of er hier ingegaan moet worden op bepaalde pueriele bezwaren. Er zijn namelijk mensen die zich ongerust maken over het feit dat het surrealisme positie kiest in de strijd op het maatschappelijke vlak en die beweren dat het daarbij alleen maar te verliezen heeft; zij gaan daarbij uit van wat het surrealisme op poëtisch gebied kan bereiken: daar ligt immers het startpunt van het surrealisme. Toch is dat slechts luiheid hunnerzijds, dat staat buiten kijf; misschien is het ook het resultaat van een verkapte wens onze invloedssfeer beperkt te houden. ‘In de morele sfeer’, zegt Hegel (en in onze ogen is dat definitief), ‘voorzover deze zich onderscheidt van de sociale sfeer, bestaat er slechts een formele overtuiging; zo wij van echte overtuiging spreken, dan doen wij dat om dit verschil aan te geven en om de verwarring te vermijden die kan ontstaan als men de overtuiging waarvan hier sprake is, d.w.z. de formele overtuiging, zou beschouwen als ware het de echte overtuiging, terwijl deze in eerste instantie een produkt is van het maatschappelijk leven (Filosofie van het Recht)’. De zelfgenoegzaamheid van deze formele overtuiging hoeft niet meer aan de kaak gesteld te worden en wanneer men tot elke prijs wil dat wij er toch aan vast houden, dan strekt dat de intelligentie noch de goede trouw van onze tijdgenoten tot eer. Sinds Hegel moet elk ideologisch systeem, op straffe van onmiddellijke ineenstorting, de leegte opvullen die in het denken zelf zou ontstaan wanneer men uitging van het principe van een wil die slechts handelt voor zichzelf en die erop gericht is zich aan zichzelf te spiegelen. Ik mag hier wel in herinnering brengen dat loyaliteit, in de hegeliaanse betekenis van het woord, slechts functie is van de mate waarin het ‘substantiële’ leven het subjectieve leven doordringt. Deze gedachte heeft geen fundamentele tegenstand ontmoet bij voor het overige zeer uiteenlopende denkers: noch bij Feuerbach die uiteindelijk het bewust· zijn als individuele eigenschap ontkent; noch bij Marx, wiens aandacht geheel gericht is op een totale verandering van de levensomstandigheden op maatschappelijk niveau; noch bij Hartmann die, uitgaande van een uiterst pessimistische theorie van het onbewuste, komt tot een nieuwe, optimistische bevestiging van onze levensdrang; noch bij Freud, die meer en meer de nadruk legt op het superego als aparte instantie. Dit alles in aanmerking genomen, zal men zich niet verbazen, denk ik, dat het surrealisme zich gaandeweg bezig houdt met andere zaken. dart het zoeken naar een oplossing voor een psychologisch probleem, hoe interessant dit op zich ook is. Deze dwingende noodzaak eenmaal erkend hebbend ben ik van mening dat wij de hoogste prioriteit moeten geven aan het probleem van de maatschappelijke orde waarin wij leven, d.w.z. het al dan niet aanvaarden van deze orde. Op dezelfde gronden is het meer dan verdedigbaar dat ik en passant met beschuldigende vinger wijs naar de afvallige surrealisten voor wie hetgeen ik hier naar voren breng te moeilijk is of te hoog gegrepen. Wat ze ook doen, met wat voor valse vreugdekreten zij hun eigen aftocht begroeten, hoe bitter zij ons ook teleurstellen – en met hen al degenen die zeggen dat het ene regime het andere waard is want dat de mens hoe dan ook overwonnen zal worden – zij zullen mij niet doen vergeten dat het niet aan hen maar, hoop ik, aan mij is om te genieten van deze opperste ‘ironie’ die overal geldig is, ook voor regimes. Deze zal hen geweigerd worden omdat ze aan gene zijde ligt; zij vooronderstelt de complete wilsakt die bestaat in het doorlopen van de cyclus van hypocrisie, probabilisme, goede wil en overtuiging (Hegel, Fenomenologie van de geest).

Als het meer in het bijzonder op de weg van het surrealisme ligt om tot dagvaarding over te gaan van begrippen als realiteit en irrealiteit, rede en waanzin, weloverwogen en impulsief, weten en ‘fatale’ onwetendheid, nut en nutteloosheid, dan is het in ieder geval globaal analoog aan het historisch materialisme in die zin dat het uitgaat van het ‘totale echec’ van het hegeliaanse systeem. Het lijkt mij onmogelijk om grenzen, b.v. die van het economisch kader, te stellen aan het functioneren van een denkwijze die door en door getraind is in de negatie, en de negatie van de negatie. Waarom zou de dialectische methode alleen maar geldigheid bezitten voor de oplossing van maatschappelijke problemen? Heel het streven van het surrealisme is gericht op toepassingsmogelijkheden ervan op het gebied van het directe bewustzijn, en die daarmee geenszins rivaliseren. Ik zie volstrekt niet in, enkele geborneerde revolutionairen ten spijt, waarom wij niet de vraagstukken liefde, droom, waanzin, kunst en religie zouden mogen opwerpen, als wij dat maar doen vanuit dezelfde invalshoek waaronder zij – net zoals wij – de Revolutie benaderen. Wel, ik durf stellig te beweren, dat vóór het surrealisme niets op systematische wijze in die richting is gedaan en dat de dialectische methode in haar hegeliaanse vorm zoals we haar aangetroffen hebben ook voor ons onbruikbaar was. Ook voor ons ging het erom af te rekenen met het idealisme in eigenlijke zin; alleen al de vorming van het woord ‘surrealisme’ zou ons daar garant voor staan; en het was voor ons noodzakelijk niet te blijven staan, om het voorbeeld van Engels te hernemen, bij het kinderlijke: ‘De roos is een roos. De roos is geen roos. En toch is de roos een roos’. Maar, men vergeve mij deze uitweiding, het is noodzakelijk ‘de roos’ mee te voeren in een heilzame beweging die minder goedaardige tegenspraken in zich draagt en waar ze successievelijk een roos is die uit een tuin komt, een bijzondere plaats in een droom inneemt, onmogelijk uit het ‘optische boeket’ gehaald kan worden, volledig van eigenschappen kan veranderen door over te gaan naar het automatisch schrijven, alleen nog maar datgene behouden heeft wat een surrealistisch schilder haar heeft willen laten behouden, en tenslotte in geheel andere gedaante naar haar tuin terugkeert. Alle idealisme is hier ver te zoeken. Wij zouden ons niet eens verdedigen tegen dergelijke aantijgingen, ware het niet dat wij zo het doelwit vormen van primaire materialisten. Deze aantijgingen komen zowel van de kant van hen die, uit platvloers conservatisme, niet in het minst behoefte voelen om de relaties tussen geest en materie scherp te stellen als van de kant van hen die, vanwege een slecht begrepen revolutionair sectarisme, en, met voorbijgaan van wat gevraagd wordt, deze vorm van materialisme verwarren met die welke door Engels er wezenlijk van wordt onderscheiden en die hij voor alles definiëert als “een intuïtieve kennis van de wereld die geroepen is zichzelf te beproeven en te verwerkelijken: In de loop van de ontwikkeling van de filosofie werd het idealisme onhoudbaar en ontkend door het moderne materialisme. Deze negatie van de negatie betekent niet eenvoudigweg een terugkeer tot het vroegere materialisme: aan de blijvende grondslagen ervan voegt het heel het filosofische en natuurwetenschappelijke denken toe zoals dat geëvolueerd is gedurende 2000 jaar evenals het produkt van deze lange geschiedenis zelf.” Wij willen ook een zodanige uitgangspositie kiezen dat het voor ons mogelijk wordt de filosofie te overklassen. Dit is het lot, denk ik, van allen voor wie de realiteit niet alleen theoretisch van belang is maar voor wie het ook een kwestie van leven of dood is om, zoals Feuerbach dat wilde, een hartstochtelijk beroep te doen op deze realiteit. Ons lot is het om, zoals wij dat doen: volledig, zonder enig voorbehoud, het principe van het historisch materialisme te onderschrijven; zijn lot is het om de verbouwereerde intellectuelen vierkant in hun gezicht te zeggen dat ‘de mens is wat hij eet’ en dat een toekomstige revolutie meer kans van slagen zou hebben als het volk beter gevoed werd, in het onderhavige geval erwten in plaats van aardappelen. (…)

Het probleem van het maatschappij-gerichte handelen is slechts één van de vormen, ik kom er steeds weer op terug, van een algemener problematiek die het surrealisme als zijn plicht ziet aan de orde te stellen: de menselijke expressie in al haár vormen. Wie expressie zegt, zegt in de eerste plaats: taal. Men moet zich niet verbazen als men ziet dat het surrealisme in eerste instantie bijna uitsluitend op het vlak van de taal werkt; en evenmin dat het, na het betreden van welk gebied dan ook, daar terugkeert, als het ware om van het gewonnen land te genieten. Inderdaad staat niets een verovering van een groot deel van dit gebied meer in de weg. De horden letterlijk ontketende woorden waarvoor dada en surrealisme de poorten wijd geopend hebben – of men dat nu leuk vindt of niet – trekken zich niet zo gemakkelijk terug. Zij dringen langzaam maar zeker binnen in de achterlijke stadjes van de literatuur die nog steeds onderwezen wordt; moeiteloos rijke en arme wijken over één kam scherend zullen zij rustig heel wat torentjes neerhalen. Zichzelf voorhoudend dat tot nu toe door ons alleen de poëzie heftig aan het wankelen is gebracht, maakt de bevolking zich nauwelijks zorgen: hier en daar werpt zij onbetekenende dijkjes op. Men wendt voor niet echt te zien dat het logische mechanisme van de zin alleen hoe langer hoe minder in staat blijkt om de schok tot stand te brengen die de gevoelswereld van de mens – het enige wat zijn leven een zekere waarde geeft activeert. Daarentegen verzamelt hij nu de produkten van die spontane of spontanere, directe of directere activiteit om zich heen zoals ze hem door het surrealisme in steeds groter getale geboden worden in de vorm van boeken, schilderijen en films en die hij eerst bekeek met stomme verbazing; nu eens met wat meer, dan weer met wat minder aarzeling verlaat hij zich op hen om zijn gevoelswereld om te woelen. Ik weet het: die mens is nog niet volledig mens en men moet hem ‘de tijd’ laten om het te worden. Maar U moet er eens op letten op wat voor bewonderenswaardige en perverse manier een paar heel moderne werken hun weg hebben weten te vinden; en daarbij gaat het juist om die werken die op zijn zachtst gezegd een bijzonder ongezonde sfeer ademen: Baudelaire, Rimbaud (ondanks de gemaakte reserves), Huysmans, Lautréamont, om me tot de poëzie te beperken. We moeten er niet bang voor zijn deze ongezonde sfeer tot wet te verheffen. Er zal niet gezegd mogen worden dat wij niet alles in het werk gesteld hebben om de – stompzinnige – schijn van geluk en wederzijds begrip weg te vagen; aan de 19e eeuw komt de eer toe deze illusie aan het licht te hebben gebracht. Zeker, wij zijn nog steeds fanatieke aanhangers · van die zonnestralen vol miasmen. Maar nu in Frankrijk op groteske wijze de overheid zich opmaakt om het eeuwfeest van de romantiek te vieren zeggen wij, surrealisten, dat de romantiek – historisch gezien willen wij nu best de staart ervan vormen maar dan wel een echte grijpstaart – in 1930 wezenlijk en geheel samenvalt met de loochening van die overheid en haar feesten. Voor de romantiek betekent honderdjarig bestaan dat ze nog jeugdig is, en dat wat ten onrechte haar heroïsche periode genoemd wordt niet meer is dan de stamelende geluiden van een wezen dat zijn lust nu pas via ons manifesteert en dat – aangenomen dat wat vóór hem op ‘klassieke’ wijze gedacht is als het goede beschouwd wordt – onbetwistbaar al het kwade nastreeft.

Hoe de ontwikkeling van het surrealisme op het politieke vlak ook verlopen is, hoe klemmend de opdracht van die kant ook was om, met betrekking tot de bevrijding van de mens – eerste voorwaarde voor de bevrijding van de geest – alleen maar te bouwen op de proletarische Revolutie, toch moet ik zeggen dat wij geen enkele geldige reden hebben gevonden terug te komen van de uitdrukkingsmiddelen die ons eigen zijn en waarvan wij de efficiency experimenteel hebben kunnen vaststellen. Men moge dan, zo men wil, een specifiek surrealistisch beeld dat ik ergens in een voorwoord gebruikt heb veroordelen, daarmee is men nog niet klaar met beelden. ‘Dit gezin is een nest honden’ (Rimbaud). Wanneer men, door een dergelijke zinsnede uit zijn context te lichten, de lachers op zijn hand gekregen heeft, is men er alleen maar in geslaagd een groep domoren bijeen te brengen. Men heeft niet bereikt dat neo-naturalistische procédés ten koste van de onze ingang vinden, d.w.z. dat alles wat sedert het naturalisme tot de belangrijkste veroveringen van de geest behoort, niet met een schouderophalen afgedaan kan worden. Ik breng hier het antwoord in herinnering dat ik in september 1928 heb gegeven op de twee volgende vragen die me gesteld werden: “1. Bent U van mening dat artistieke en literaire produkten het resultaat zijn van een zuiver individueel gebeuren? Denkt U niet dat zij de afspiegeling kunnen of moeten zijn van de grote stromingen die de economische en sociale evolutie van de mensheid bepalen? 2. Gelooft U aan het bestaan van een literatuur en van een kunst die de aspiraties van de arbeidersklasse tot uitdrukking brengen? Wie zijn volgens U hun belangrijkste vertegenwoordigers?”

1. Vanzelfsprekend gaat het met artistieke en literaire produkten als met elk intellectueel gebeuren in die zin dat er met betrekking daartoe geen ander probleem gesteld kan worden dan dat van de soevereiniteit van het denken. Dat betekent dat op Uw eerste vraag geen ja of nee mogelijk is; de enige filosofische houding die men in zo een geval mag aannemen bestaat erin de tegenstrijdigheid tot haar recht te laten komen die bestaat tussen het karakter van het menselijk denken dat wij ons als absoluut voorstellen en de realiteit van dit denken in een menigte individuele menselijke wezens waarvan het denken begrensd is: dat is een tegenstrijdigheid die alleen maar opgeheven kan worden in de onbeperkte vooruitgang, in de althans praktisch oneindige reeks der opeenvolgende geslachten. In die zin is het menselijk denken tegelijk wel en niet souverein; en zijn kenvermogen is zowel beperkt als onbeperkt. Souverein en onbegrensd in potentie wat aard en roeping, en in de geschiedenis wat het uiteindelijke doel betreft; maar niet soeverein en beperkt in elke concretisering en in elk willekeurig stadium’ (Engels: Moraal en recht. Eeuwige waarheden). Op het door U bedoelde gebied waar dit denken op specifieke wijze tot uitdrukking komt en dat U mij vraagt te bespreken, kan het slechts schommelen tussen het besef van zijn volledige autonomie en dat van zijn strikte afhankelijkheid. Ik heb de indruk dat de hedendaagse artistieke en literaire productie geheel en al gewijd is aan de noodzakelijke ontknoping van dit drama na een eeuw hoogst aangrijpende filosofie en poëzie (Hegel, Feuerbach, Marx, Lautréamont. Rimbaud, Jarry, Freud, Chaplin, Trotski). Onder de gegeven omstandigheden beweren dat deze productie de weerspiegeling kan of moet zijn van de grote stromingen die de economische en sociale evolutie van de mensheid bepalen, een dergelijke bewering is een nogal banaal oordeel uitspreken dat een louter door de omstandigheden bepaalde erkenning van het denken impliceert maar aan zijn diepste wezen voorbijgaat: zowel geconditioneerd als ongeconditioneerd, utopisch en realistisch, tot doel zichzelf en anderen dienend, enz.

2. Ik geloof niet dat er nu een literatuur of een kunst kan bestaan die de aspiraties van de arbeidersklasse tot uitdrukking brengt. Ik weiger dat te geloven omdat in een pre-revolutionaire periode de schrijver of de kunstenaar, die noodzakelijkerwijze een burgerlijke opvoeding genoten heeft, per definitie niet in staat is ze te vertalen. Ik ontken niet dat hij zich er wel een beeld van kan vormen en dat, wanneer voldaan is aan vrij uitzonderlijke voorwaarden, hij in staat zou zijn elke aangelegenheid te relateren aan de zaak van het proletariaat. Ik maak er voor hem een gevoels- en fatsoenskwestie van. – Daarmee ontkomt hij nog niet aan die merkwaardige twijfel die inherent is aan de uitdrukkingsmiddelen waarvan hij zich bedient en die hem ertoe dwingt om, in zichzelf en voor zich alleen, het werk dat hij zich voorneemt te verrichten onder een zeer speciale hoek te beschouwen. Om levensvatbaar te zijn moet dit werk positie kiezen ten opzichte van andere , reeds bestaande werken en op zijn beurt een weg ontsluiten. De verschillen in proportie daargelaten, zou het net zo zinloos zijn om te protesteren tegen, bij voorbeeld, de vaststelling van een poëtisch determinisme waarvan de wetten volstrekt bepaalbaar zijn als tegen die van het dialectisch materialisme. Wat mij betreft blijf ik ervan overtuigd dat beide niveaux van evolutie strikt gelijkvormig zijn en dat ze bovendien gemeen hebben dat ze geen pardon kennen. Evenals de voorspellingen van Marx betreffende de materiële gebeurtenissen die zich sinds zijn dood tot nu toe hebben afgespeeld juist zijn gebleken, is er, naar mijn mening, geen woord van Lautréamont dat slaat op gebeurtenissen van geestelijke aard of het is onaangetast gebleven. Maar, evenals elke poging tot verklaring van het maatschappelijke gebeuren anders dan van Marx onjuist is, zo is ook voor mij iedere poging tot verdediging en verheerlijking van een zogeheten ‘proletarische’ literatuur en kunst onjuist in een periode waarin niemand zich op een proletarische cultuur kan beroepen, om de simpele reden dat deze cultuur nog geen werkelijkheid is, zelfs niet onder proletarisch regiem. ‘De vage theorieën over de proletarische cultuur die geconstrueerd zijn analoog aan en in tegenstelling tot de burgerlijke cultuur, komen voort uit vergelijkingen tussen het proletariaat en de bourgeoisie die elke kritische zin mist… Er komt zonder enige twijfel in de ontwikkeling van de nieuwe maatschappij een moment waarop economie, cultuur en kunst de grootst mogelijke bewegingsvrijheid hebben en zich daarmee vrijelijk ontwikkelen. Maar wat dit aangaat kunnen we niet anders doen dan gissen, met meer of minder fantasie. In een maatschappij die de drukkende zorg van het dagelijks brood van zich afgeschud heeft, waar ieders was door gemeentelijke wasserijen gedaan wordt, waar kinderen – alle kinderen – welgevoed, gezond en vrolijk de beginselen van wetenschap en kunst tot zich nemen als lucht, licht en zon, waar voor iedereen plaats is, waar het bevrijde egoïsme van de mens – geweldige kracht – slechts streeft naar kennis, verandering en verbetering van de wereld, in een dergelijke maatschappij is de dynamiek van de cultuur onvergelijkbaar veel groter dan wat wij uit het verleden kennen. Maar dit zullen wij slechts bereiken na een lange, moeizame overgangsperiode die nog vrijwel in haar geheel voor ons ligt’ (Trotski, Revolutie en Cultuur). Deze prachtige tekst rekent volgens mij definitief af met de pretenties van een paar ijlhoofden en gladjanussen die zich in het Frankrijk van nu, onder de dictatuur van Poincaré, uitgeven voor proletarische schrijvers en kunstenaars onder het voorwendsel dat in hun werk alles grauw en ellendig is; hij rekent zo ook af met al degenen die niet verder komen dan weerzinwekkend reportagewerk, dan grafzerken en schetsen van. strafkampen. Zij roepen alleen maar het spook van Zola voor ons op, die ze napluizen zonder iets van hem te leren en maken schaamteloos misbruik van al wat leeft, lijdt, strijdt en hoopt; ze zijn een beletsel voor elk serieus onderzoek, maken iedere ontdekking onmogelijk en pretenderend datgene te geven waarvan ze weten dat dat niet kan, namelijk onmiddellijk en algemeen inzicht in wat tot stand aan het komen is, miskennen ze niet alleen radicaal de geest, maar zijn ze bovendien de ergste contra-revolutionairen.

Het valt te betreuren, zoals ik zojuist al aanstipte, dat er geen systematischer en geregelder inspanningen verricht zijn via het automatisch schrijven, bij voorbeeld, en droomvertellingen; en dat terwijl het surrealisme daar toch voortdurend nog om vraagt. Hoewel wij dit soort teksten in de surrealistische publicaties nadrukkelijk hebben opgenomen en zij in bepaalde werken een opmerkelijke plaats innemen, moet erkend worden dat zij lang niet altijd even interessant zijn of dat zij wat teveel het effect van bravoure-stukjes hebben. Dat er in die teksten onmiskenbaar cliché-matige elementen optreden gaat geheel ten koste van de geestelijke ommekeer die wij ermee nastreefden. De schuld daarvan ligt bij de auteurs die voor het merendeel zeer nonchalant te werk zijn gegaan. Over het algemeen stelden zij zich ermee tevreden de pen over het papier te laten gaan zonder ook maar in enigerlei mate te observeren wat er zich op zo een moment in hen afspeelde; deze verdubbeling is toch makkelijker grijpbaar en interessanter studiemateriaal dan die welke bij overdacht schrijven plaats vindt. Ofwel zij zetten op min of meer arbitraire wijze droomelementen bij elkaar, meer erop gericht om het pittoreske element ervan tot zijn recht te laten komen dan om de mogelijkheid te bieden op nuttige wijze het functioneren ervan te zien. Dergelijke ervaringen leiden er vanzelfsprekend toe dat al het profijt dat wij uit dit soort handelingen kunnen trekken voor ons verloren gaat. De grote waarde die zij voor het surrealisme hebben schuilt namelijk hierin dat zij ons logische velden van bijzondere aard ter beschikking kunnen stellen; en dan juist die velden waar het logische vermogen, dat, hoe men het ook wendt of keert, alleen ingeschakeld wordt met betrekking tot het bewuste, tot nu toe greep op heeft. Sterker nog, deze logische velden blijven niet alleen onontgonnen, maar wij blijven even slecht geïnformeerd als altijd over de herkomst van die stem die iedereen, als hij maar wil, kan horen en die ons op hoogst merkwaardige wijze over andere zaken onderhoudt dan wij menen te denken en soms een ernstige toon aanslaat wanneer wij zeer vrolijk gestemd zijn of ons zotheden influistert wanneer we in de put zitten. Zij gehoorzaamt trouwens niet aan die simpele behoefte tot tegenspraak… Wanneer ik aan mijn bureau zit, onderhoudt ze mij over iemand die uit een greppel komt natuurlijk zonder me te zeggen wie dat is; als ik aandring beschrijft ze mij hem vrij nauwkeurig: nee, ik ken die man beslist niet. Ik heb het nog niet genoteerd of die man is al verdwenen. Ik luister, het Tweede Manifest van het Surrealisme’ is ver weg… Meer voorbeelden zijn niet nodig: zij is degene die zo spreekt… Omdat de voorbeelden drinken … Pardon, ik begrijp het ook niet. Waar het op aankomt is te weten in hoeverre deze stem gerechtigd is om mij b.v. te gispen: meer voorbeelden zijn niet nodig (en sinds Les chants de Maldoror weten wij hoe ragfijn verrukkelijk haar kritische interventies kunnen zijn). Wanneer zij mij antwoordt dat voorbeelden drinken (?) is dat voor de macht die die stem gebruikt een manier om zich te verschuilen, en waarom verschuilt ze zich dan? Wilde ze net een uitleg geven op het moment dat ik me haastte haar te betrappen zonder haar te vatten? Een dergelijk probleem is niet alleen van surrealistisch belang. Wanneer iemand iets onder woorden brengt, neemt hij alleen maar genoegen met een zeer duistere mogelijkheid tot verzoening van wat hij over éénzelfde onderwerp wist en niet wist te zullen zeggen maar ook het laatste gezegd heeft. Het meest strakke denken kan niet buiten deze stem die toch vanuit een standpunt van strikte logica ongewenst is. Midden in de zin waarin een idee tot uitdrukking wordt gebracht, wordt deze kort en goed de grond in geboord, ook al zou er in die zin niets te vinden zijn van een charmant spel met haar betekenis. Vooral op dit verschijnsel heeft dada de aandacht willen vestigen. Zoals men weet heeft het surrealisme, door een beroep op het automatisme, vooral getracht een of ander schip te behoeden voor deze torpedo: iets als een spookschip (hoe versleten dit beeld, dat men tegen mij meende te kunnen gebruiken, ook is, het lijkt me een goed beeld en ik herneem het dus).

Aan ons de taak, dat wilde ik zeggen, om te trachten steeds duidelijker te zien wat er zich buiten zijn weten afspeelt in de diepten van de menselijke geest, ook al zou hij het ons eerst niet in dank afnemen vanwege zijn eigen maalstroom. Bij dit alles willen wij geenszins het gebied van wat te ontwarren valt reduceren en er is geen enkele aanleiding om ons te verwijzen naar de wetenschappelijke bestudering van ‘complexen’. Zeker, het surrealisme dat welbewust, zoals we gezien hebben, de marxistische formule op het maatschappelijke vlak tot de zijne heeft gemaakt, is niet van plan om de freudiaanse theorieën te laten voor wat ze zijn: integendeel het beschouwt ze als de belangrijkste en als de enige echt gefundeerde. Zo het niet onverschillig kan staan tegenover het debat dat onder zijn ogen gevoerd wordt tussen de gekwalificeerde vertegenwoordigers van de diverse stromingen in de psychoanalyse – juist zoals het van dag tot dag zich heftig interesseert voor de strijd in de top van de Internationale – zo ook behoeft het niet tussenbeide te komen in een controverse die, naar zijn mening, geruime tijd nog alleen maar efficiënt gevoerd kan worden tussen mensen van het vak. Dit is niet het domein waar het het resultaat van persoonlijke ervaringen wil laten gelden. Het is degenen die door het surrealisme bijeengebracht worden van nature gegeven zeer speciale aandacht te schenken aan het freudiaanse gegeven waarbinnen het grootste gedeelte van hun activiteiten als mens – hun zorg om artistiek te scheppen en te vernietigen – valt: ik doel hier op de definitie van het verschijnsel ‘sublimatie.’ En dat is de reden waarom het surrealisme hun in de kern van de zaak vraagt om bij de uitvoering van hun opdracht een nieuwe vorm van bewustzijn te gebruiken en zo te handelen dat door auto-observatie, die in hun geval een uitzonderlijke waarde bezit, de tekortkomingen aan te vullen die schuil gaan in het doorgronden van zogeheten ‘artistieke’ geestesgesteldheden door mensen die geen kunstenaar maar voor het merendeel arts zijn. In een ander opzicht stelt het de eis dat degenen in freudiaanse zin het desbetreffende ‘kostbare vermogen’ bezitten zich via de omgekeerde richting toeleggen op de bestudering onder die gezichtshoek van het hoogst ingewikkelde mechanisme dat inspiratie genoemd wordt. En zodra deze niet meer voor gewijd gehouden wordt mogen zij, met het volste vertrouwen in haar buitengewone kracht, aan niets anders denken dan aan het slagen van haar laatste boeien en – wat men tot op heden nog nooit had durven denken – aan haar onderwerping, Het is overbodig zich in subtiliteiten te verstrikken; iedereen weet wat inspiratie is. Vergissingen zijn uitgesloten: overal en altijd heeft zij voorzien in de behoeften aan uitdrukkingsmogelijkheden m de hoogste graad. Men zegt algemeen, dat inspiratie er is of niet is en, als ze er niet is, kan niets deze absentie verhelpen, wat de menselijke vaardigheid ook moge suggereren; deze is immers ondergraven door eigenbelang, discursief denken en door arbeid verworven talent. Wij herkennen haar moeiteloos aan haar totale macht over de geest, die van tijd tot tijd belet dat wij, voor elk probleem dat zich voordoet, de speelbal zijn van dan weer de ene dan weer de andere rationele oplossing; aan die vorm van contact die zij tot stand brengt tussen een gegeven idee en wat daaraan beantwoordt (in geschriften, bij voorbeeld). Precies zoals in de physische wereld contact ontstaat wanneer zich tussen de twee ‘polen’ van een apparaat een te verwaarlozen of te zwakke weerstand bevindt. In de poëzie en in de schilderkunst heeft het surrealisme al het mogelijke gedaan om dergelijke contacten te verveelvoudigen. Het wil en zal niets liever willen dan dit ideale ogenblik op kunstmatige wijze steeds weer te” herhalen; ideaal omdat de mens, ten prooi aan een bijzondere emotie, plotseling door tets gegrepen wordt dat sterker is dan hij en dat hem, zijn ondanks, confronteert met het eeuwig-blijvende. In het bezit van een heldere, lucide geest zou hij vol ontzetting uit dit avontuur voorschijn komen. Het belangrijkste is dat het hem niet vrij staat en dat hij doorpraat zolang deze mysterieuze het klinkt : dat namelijk waar hij ophoudt zichzelf toe te behoren, behoort hij ons. Het gaat hier om produkten van de psyche die zo ver mogelijk staan van het verlangen tot betekenen, die zoveel mogelijk ontdaan zijn van verantwoordelijkheidsgevoelens die altijd tot afremmen klaar staan, die zo los mogelijk staan van alles wat met het passieve leven van de intelligentie is. Deze produkten, te weten: het automatisch schrijven en de droomvertellingen, bieden diverse voordelen tegelijk. Zij alleen verschaffen aan een kritiek die op artistiek vlak merkwaardig stuurloos blijkt te zijn beoordelingscriteria op hoog niveau; zij maken een algemene herwaardering van poëtische waarden mogelijk. Zij bieden een sleutel die, in staat tot het eindeloos openen van die kast met diverse bodems die mens heet, hem ontraadt om te keren om simpele redenen van zelfbehoud wanneer hij m het duister op zijn weg komt te staan voor de van buitenaf gesloten poorten van het ‘jenseits’ van de werkelijkheid, van de ratio, van het genie en van de liefde. Er zal eens een dag aanbreken waarop men zich niet meer zal veroorloven om, zoals men dat gedaan heeft, luchthartig om te springen met die tastbare bewijzen van een ander bestaan dan wij denken te leiden. (…)

Alchemie van het woord: die woorden die men tegenwoordig min of meer te hooi of te gras aanhaalt dienen letterlijk genomen te worden. Zo het hoofdstuk van Une saison en enfer dat met die woorden aangeduid wordt, ze misschien niet geheel rechtvaardigt, dat neemt niet weg dat het met het volste recht beschouwd kan worden als het begin van de complexe activiteiten die thans alleen door het surrealisme voortgezet worden. Het zou in literair opzicht kinderlijk van ons zijn te beweren dat wij niet erg veel aan deze beroemde tekst te danken hebben. Is de bewonderenswaardige 14e eeuw minder groot met betrekking tot hoopvolle verwachtingen (en natuurlijk tot wanhoop), omdat een geniaal iemand als Flamel van een mysterieuze macht het reeds bestaande manuscript m handen kreeg van het boek van de jood Abraham of omdat de geheimen van Hermes nog niet geheel verloren waren gegaan? Ik geloof er niets van en ik ben van mening dat de naspeuringen van Flamel met alles wat zij klaarblijkelijk aan concreet resultaat hebben opgeleverd, niets aan waarde inboeten omdat hij elders steun en voorgangers gevonden heeft. Zo is het ook in onze tijd alsof enige mensen, langs bovennatuurlijke wegen, onlangs in het bezit zijn gekomen van een uitzonderlijke bundel van de gezamenlijke hand van Rimbaud, Lautréamont en enkele anderen en alsof een stem hun zei zoals de engel tot Flamel: ‘Beziet dit boek, gij noch vele anderen doorschouwen het, maar gij zult op zekere dag erin zien wat geen ander vermag te zien’. Het ligt niet meer in hun macht zich te onttrekken aan deze betrachting. Ik vestig er de aandacht op dat het doel van de surrealistische naspeuringen een opmerkelijke analogie toont met die der alchemisten: wat is de steen der wijzen anders dan hetgeen de menselijke verbeelding in staat zou stellen zich eclatant op alles te revancheren? Na eeuwen van knechting van de geest en dwaze berusting trachten wij nu opnieuw de verbeelding definitief vrij te maken door de ‘langdurige, mateloze, beredeneerde ontregeling van alle zintuigen’ en het overige. Wellicht zijn wij nog niet verder dan een bescheiden versiering van de muren van onze woning met figuren die ons in eerste instantie mooi lijken – dit in navolging van opnieuw Flamel voordat hij zijn eerste agens, zijn ‘materie’, zijn ‘oven’, gevonden had. Zo liet hij gaarne het volgende zien: ‘Een koning met een grote hartsvanger die door soldeniers, in zijn aanwezigheid, een talrijke menigte kleine kinderen liet doden, wier moeders weenden aan de voeten der meedogenloze wapenknechten; het bloed dezer kinderen werd alsdan opgevangen door andere soldeniers en in een groot vat gegoten waarin zon en maan zich kwamen baden’ en daar vlakbij ‘een jongeman met vleugels aan de hielen, een herautsstaf in de hand waarmee hij op een helm sloeg die hem het hoofd bedekte. Hem tegemoet kwam, ijlings en met open vleugels een forse grijsaard op wiens hoofd een klok’. Is dat niet de surrealistische schildering bij uitstek? En wie weet of wij niet in een later stadium genoodzaakt zullen zijn, met uitbuiting van een al dan niet nieuwe evidentie, objecten te gebruiken die volstrekt nieuw zijn of die voorgoed in onbruik geacht werden? Nu denk ik niet bepaald dat men weer mollenharten zal eten of dat men opnieuw het borrelen van water dat in de kookpot kookt zal beluisteren als het kloppen van het eigen hart. Maar eigenlijk weet ik het niet; ik wacht maar af. Ik weet alleen dat de lijdensweg van de mens nog niet ten einde is en ik juich alleen maar de terugkeer van die furor toe waarin Agrippa, al dan niet vergeefs, vier soorten onderkende. In het surrealisme hebben wij uitsluitend met deze furor te maken. Men denke niet dat het hierbij om een simpele hergroepering van woorden of om een grillige herverdeling van visuele beelden gaat; het gaat erom een geestesgesteldheid te doen herleven die in niets onderdoet voor geestelijke verbijstering: de moderne schrijvers die ik citeer zijn hierover duidelijk genoeg geweest. Dat Rimbaud het nodig gevonden heeft zich te verontschuldigen voor wat hij zijn ‘sofismen’ noemt, raakt ons niet; het interesseert ons niet in het minst dat het gebeurd is, zoals hij dat uitdrukt. Wij zien daar alleen maar een heel gewone en onbelangrijke vorm van lafheid in die volkomen los staat van het lot dat een aantal ideeën beschoren is. ‘Ik weet thans de schoonheid te groeten’: het is onvergeeflijk van Rimbaud dat hij ons heeft willen doen geloven aan een tweede vlucht terwijl hij in gevangenschap terugkeerde. – ‘Alchemie van het woord’: men kan het eveneens betreuren dat ‘woord’ hier in een wat beperkte betekenis wordt gebruikt en Rimbaud lijkt trouwens te erkennen dat de ‘aftandse poëzie’ te veel plaats in deze alchemie inneemt. Het woord is meer en voor de kabbalisten bij voorbeeld, is het datgene naar het beeld waarvan de menselijke ziel geschapen is; zoals bekend heeft men het zelfs doen teruggaan op het eerste model van de causa causarum; daardoor is het evenzeer aanwezig in wat wij vrezen als in wat wij schrijven en in wat wij minnen.

Het surrealisme bevindt zich volgens mij nog in een voorbereidende fase en ik haast me eraan toe te voegen dat het mogelijk is dat deze periode even lang voortbestaat als ik (als ik in de zeer geringe mate waarin ik nog niet in staat ben aan te nemen dat een zekere Paul Lucas Flamel in Brousse ontmoet heeft aan het begin van de 17e eeuw, dat dezelfde Flamel, in gezelschap van zijn vrouw en een zoon, in 1761 in de Opéra gesignaleerd is en dat hij even in Parijs is opgedoken in mei 1819, de periode waarin hij, naar men zegt, een winkel in Parijs heeft gehuurd in de rue de Cléry op nummer 22). Feit is dat de voorbereidingen globaal gezien op het ‘artistieke’ vlak liggen. Niettemin zie ik het einde daarvan naderen en dan zullen de schokkende denkbeelden die het surrealisme in zich draagt, met donderend lawaai uit de diepten breken en zich een vrije weg banen. Alles zal komen van de moderne wisselstand van de wil van enkelen in de toekomst: tot stand gekomen na de onze, zal zij ook onbuigzamer zijn. Hoe dan ook, wij zullen ons gelukkig prijzen ertoe bijgedragen te hebben dat de schandelijke voosheid van wat, bij onze komst, nog gedacht werd zichtbaar is geworden en staande gehouden te hebben – al zou het daar maar bij gebleven zijn dat het gedachte eindelijk diende te bezwijken onder de druk van het denkbare.

Men kan zich de vraag stellen wie Rimbaud eigenlijk wilde ontmoedigen toen hij degenen die zouden trachten in zijn voetsporen te treden met waanzin en verstandsverbijstering dreigde. Lautréamont begint met de waarschuwing aan de lezer dat ‘als hij bij het lezen niet strikt logisch denkt en niet een geestelijke spankracht opbrengt die zijn wantrouwen op zijn minst evenaart, de dodelijke dampen van dit boek – De Zangen van Maldoror – zijn ziel zullen doordrenken als ging het om water en suiker’; maar laat niet na eraan toe te voegen dat ‘het slechts enkelen gegeven is deze bittere vrucht zonder gevaar te genieten’. Dit probleem van de verdoeming, dat tot op heden slechts aanleiding gegeven heeft tot ironische of onbezonnen commentaren, is actueler dan ooit. Het surrealisme loopt het risico alles te verliezen als het deze verdoeming verre van zich zou houden. Het ‘Maran-Atha’ van de alchemisten dat op de drempel staat van het Opus om profanen te weren, dient hier hervat en gehandhaafd te worden. Het lijkt mij uiterst urgent juist dit duidelijk te maken aan enkele van onze vrienden die mijns inziens wat te veel aandacht schenken bij voorbeeld aan de verkoop en de afzet van hun schilderijen. Nougé schreef onlangs: ‘Ik zou het op prijs stellen dat degenen onder ons die wat naam beginnen te maken, deze uitwissen’. Hoewel ik niet precies weet op wie hij doelt, ben ik hoe dan ook van mening dat het niet teveel gevraagd is om niet meer met zichzelf te koop te lopen en niet meer naar buiten te treden. De instemming van het publiek moet als de pest gemeden worden. Men moet het publiek volstrekt beletten binnen te treden als men helderheid wenst. Ik voeg eraan toe dat men voor het publiek getergd door een systeem van uitdagingen en provocaties de deur gesloten moet houden.

IK EIS DE TOTALE EN WAARACHTIGE OCCULTATIE VAN HET SURREALISME.

Ik kondig in deze materie het recht op volstrekte gestrengheid af. Geen concessies en geen gratie. Het schrikaanjagend aanbod in de hand. Weg met hen die het gevloekte brood aan de vogels zouden voeren. (…)

André Breton

Drijkoningen, F. (1991), Historische avantgarde: programmatische teksten van het Italiaans futurisme, het Russisch futurisme, Dada, het constructivisme, het surrealisme, het Tsjechisch poëtisme. Amsterdam: Huis aan de Drie grachten, 324-354.

Advertenties
%d bloggers liken dit: