Hymnode (III)

1. O mijn heerlijke volgelingen, thans zalig stralend in het morgenrood van de nakende zon, laat er me U allen toe noden aan uw reeds te lange winterslaap te verzaken.

2. O laat U toch in alle eenvoud tot de fijngroene praal van de nieuwe lente bekennen. Ziet hoe de boomgaarden reeds vol witte en roze bloesems geuren.

3. Ja, weest vreugdig en kinderlijk uitgelaten om het jonge lied van de zo frisgesnaarde vogelen in de kringloop uwer ontwelkende oren te ontvangen.

4. Ach luisterst naar de schone bekoringen van het leven, ziet hoe begeerlijke maagden zich toverig aan uw voeten komen spreiden.

5. Haar blonde haren zijn als golvende honig en haar elpenbenen borsten schitteren om te grijpen.

6. Ziet de weelde van haar melkwitte buik boven de heerlijke zuilen van haar dijen, waarlangs we tot het Hooglied opgeroepen worden.

7. Niets mag ons nog weerhouden hare liefdeszuchten te huldigen en ze in stilte te ontginnen.

8. Niets mag ons nog tot de verzaking van het leven uidagen : tot de vreugdewijsheid moeten we gaan !

9. Druivendronken moeten we de pracht van de duizend-en-één gaven Gods, en de God zelf in ons verkondigen.

10. Ja de vruchtbaarheid Gods moeten we in onze vrouwen huldigen, en in onze velden en in de druivendrank van de Godheid zelf.

11. De wijnpersen moeten we bewerken en tot het laatste heiligend sap toe moeten we er juichend uit wringen.

12. Inwaarts en uitwaarts moeten we het leven in in het wijnvuur van het zijn verdoen en wuivend met palmtakken doorheen de verste ethertransen waaien.

13. O het waaien van de geest over de bergketens van het puurste en het hechtste kristal !

14. Hoe heerlijk al dat waaien en hoe natuurlijk plechtig uit de roes van ons vlees opgestaan !

15. Gezegend zijn dan ook onze vrouwen om al de wonderen die uit onze driften tot haar oplaaien…

16. En heel de cosmos, zowel inwaarts als uitwaarts doorheen die driften, wild, opstijgend, o zo verzengend verblijdend…

17. O die begerende maagden, die als bloemen tot minnende vrouwen opengaan en wij, de naarstige tuiniers…

18. Aldus behoort het, o mijn heerlijke volgelingen, op ’t grootste feest van ’t innerlijk Hooglied dat hier thans zo weelderig in onze harten weergalmt.

Advertenties
%d bloggers liken dit: