Hymnode (II)

1. De leegte is de kwaal van ons gemoed en de toetsteen van onze steeds wankelende broosheid in de droesem van ons leven.

2. De bakens verzet, als de tralies van onze vuznige gekerkerdheid in de grauwte van het zijn en het niet zijn.

3. Doch waarom die doem in ons te bestendigen? Ja, de bakens verzet tot aan de grenzen van het hiernamaals…

4. Laat ons dan ook niet verder verslaafd zijn aan het onheil van onze armste beloften.

5. Laat ons opwaarts varen, de stromen van de jubelende heroën in, wij de held en de schare, dansende, juichende en met triomfcimbalen musicerende !

6. O het lied van de klokken in ons, ter verheerlijking van onze heiligste bekoringen boven alle herfstwerelden heen !

7. Stille nachten zijn aan ons voorbijgegaan en de Godheid heeft ruisend in ons gepreveld van de nood der sterren.

8. Ach de sterren aan de toppen van onze vingeren en de hele melkweg van onze sterren, hoe doods is dit hele lichtwonder niet ?

9. Ja doods in het spectrum van uw zon, o milde Godheid in ons, en het gouden waaien van onze gaven…

10. De grimmigheid der grimmigheden heeft ons gezalfd over de hellingen van onze sterren en het heelal is tot onze glimlach gekomen…

11. O thans een lied te zingen voor de grote Voorzanger van ons al, en alle grimmigheden luid, lui, in het lied van deze klokken te verkwisten !

12. O, en sprankelende beken uit hun bezwerende brons te gutsen, heel wijd over de schrille beemden van ons menselijk tekort !

13. O tekort aan al wat is van het werkelijke en werkende leven met onze vlaggen heel hoog, in de stoet van onze laatste vergeldingen.

14. Neen, o neen, laat ons jubelen en rozebladeren, fijn en geurend, voor onze voeten uitspreiden.

15. Laten we onszelf verheerlijken in de vele gedaanten van de Godheid. O laten we ons schouwen in het bergmeer van alomvademende heerlijkheid !

16. Spiegel zijn we, en schaduw, en echo, en daarom is het dat we in het heden van onszelf aan onze al te grote aardsheid ontsnappen.

17. Als hemelingen tronen we dan ook in onze Godheid, als in onszelf, en heerlijk boven alle heerlijkheden…

18. Doch zijn we ook niet schim en vergelding, o waan ? En we stralen steeds in het diepste van onszelf, o heerlijkheid van onze schouwing, in lied en zang !

19. O melodij !

Advertenties
%d bloggers liken dit: