Marc Eemans, 90 jaar: een biecht

Marc. Eemans en Henri-Floris Jespers, Antwerpen, ca. 1990.(Onderstaand interview vond plaats n.a.v. van de 9oe verjaardag van Marc. Eemans en werd oorspronkelijk gepubliceerd in AMVB-tijdingen, juni 1997.)

Op 16 juni 1997 wordt Marc. Eemans negentig. Hij heeft alle tegenstellingen en tegenstrijdigheden van de eeuw hartstochtelijk beleefd. Deze laatste overlevende van de eerste surrealistische groep in België heeft, net als Michel Seuphor, levendige herinneringen aan Paul van Ostaijen. Een (zelf)portret met tegenstem en enkele onthullingen.

Toen Marc. Eemans kunsthandelaar Geert van Bruaene leerde kennen, had dit allerminst alledaags personage net in december 1923 ontslag genomen bij het roemruchte Vlaams Volkstoneel waar hij onder meer in Vondels “Jozef in Dothan” onder regie van dr. Oscar de Gruyter gespeeld had. Hij startte meteen een bescheiden cultureel centrum op, het Cabinet Maldoror, in het hotel Ravenstein te Brussel, waar o.a. een tentoonstelling van werk van Paul Joostens plaatsvond. Michel de Ghelderode zorgde als ‘zaakgelastigde’ voor de administratie van het centrum, dat in feite spoedig een louter kunsthandel werd. In 1925 opende van Bruaene – in de wandelgang ‘petit Gerard’ – een galerie in de Naamsestraat 70 te Brussel, La Vierge Poupine. De avontuurlijke van Bruaene, een taaie West-Vlaming met wie samenwerken niet altijd even prettig was, kwam tot een akkoord met Paul van Ostaijen, die van oktober 1925 tot begin maart 1926 als co-directeur van de galerie fungeerde, waar hij in die periode ook woonde. Hier ontmoette Marc. Eemans de dichter voor de eerste keer. “Hij lag op een canapé in een zijkamertje van de galerie, met een thermometer in de mond.” Van Ostaijens gezondheidstoestand was inderdaad toen al erg belabberd, en hij maakte vaak koorts.

Wonderknaap Eemans was achttien en schilderde abstracte composities in het kielzog van de ‘zuivere beelding’, “in een dof koloriet en met rustig gebogen volumes, waarvan een vreemd, ietwat ‘unheimlich’ gevoel uitging”, dixit Jan Walravens. In die jaren was hij gauchist. Hij voelde zich aangetrokken tot de nieuwste avant-garde, het surrealisme, en zou spoedig de abstractie de rug toekeren. Zijn “hulde aan de vader van de revolutie”, Lenin, schilderde hij half abstract, half figuratief. Walravens onderstreepte dat er reeds in zijn abstract werk iets aanwezig was “van het mysterie dat hij later in zijn surrealistische werken zou oproepen.” Naast zijn activiteit als kunsthandelaar was Van Ostaijen in die dagen nogal nadrukkelijk aanwezig in het Brusselse kunstleven. Op donderdag 29 oktober 1925 hield hij in het Egmontpaleis een lezing voor La Lanterne Sourde, waar hij met de jonge dichters Pierre Bourgeois en Rene Verboom co-directeur van was. Eemans bevond zich onder de organisatoren van deze avond. “Door omstandigheden ging de avond niet door in de vaste zaal maar in één van de stallingen, waar nu een of of andere kunstonderwijsinstellling gevestigd is. In zijn indrukwekkende lezing handelde Van Ostaijen over de raakpunten tussen poëzie en mystiek.

Hij poneerde de originele stelling dat de literatuur van een volk pas echt begint met zijn mystieke auteurs. Dat hij zijn nu beroemde Melopee, opgedragen aan Gaston Burssens, toen niet las maar letterlijk zong, maakte ophef.” Van Ostaijen, die niet mild was voor zijn tijd- en vakgenoten, kon kennelijk Eemans wel waarderen. Toen hij het tijdschrift Avontuur redigeerde, schreef hij op 25 november 1927 aan Eddy du Perron: “A propos: er is nog een jonge Brusselaar die voor medewerking in aanmerking komt, namelijk Marc. Eemans, van wie ik een paar aardige futuristische gedichten hoorde.” Eemans weet niet meer welke gedichten Van Ostaijen wel had kunnen horen.

“Op poëtisch vlakwas Van Ostaijen mijn leermeester. Ik zou zelfs durven zeggen dat de ars poetica die hij in de Lanterne Sourde schetste, zonder meer beslissend is geweest voor mijn eigen surrealistische esthetica. Mijn ‘futuristische’ gedichten zijn wellicht prille jeugdzonden die ‘modern’ of ‘dadaïstisch’ wild en doen. Of bedoelde Van Ostaijen mijn ‘woordvormen’ van “Vergeten te worden”? Hij moet er enkele gekend hebben, al verschenen deze pas in 1930.”

In het eerste nummer van Avontuur verschenen Van Ostaijens “Boeren Charleston” en “Alpenjagerslied”. Eemans was kennelijk ontgoocheld. Hij vond die gedichten “te literair”, en hij schreef dan ook meteen aan Van Ostaijen, goed wetende dat hij hiermee diens levensopvatting en geestelijke houding frontaal aanviel: “De mooidoenerij van hun dynamisch verbalisme kan eerst behagen, maar wordt eindelijk vervelend; ze duidt ook een zwakheid van de dichter aan: het woord staat hem te boven.” Eemans schreef die brief op 13 maart 1928, vijf dagen voor Van Ostaijens overlijden.

“Mijn voorbehoud, mijn verwijtwas dat deze gedichten teveel ‘woordkunst’ zijn: rijmen, stafrijmen, klanknabootsingen en andere klankspelingen. Ik vond dat ze niet beantwoordden aan zijn poëzietheorie, zoals uiteengezet in de Lanterne Sourde. En daarbij, poëzie is toch een wonderbaar iets, als men ze niet te ernstig neemt. Maar helaas tot mijn spijt ben ik toch en nog steeds een beetje te ernstig… “

Tijdens de bezetting heeft Eemans de flamboyante zenuwarts en kunsthistorica Juliane Gabriëls, ook al een excentriek personage, goed gekend. Ze was activiste geweest en had in 1918 de weg van de ballingschap gekozen. “Ze vertelde me eens dat ze in Berlijn in een luxehotel Van Ostaijen aan het werk had gezien als lift boy. Hij droeg een rode livrei en zo’n bijpassend Robbedoes potsje. De dame had wel veel verbeelding, maar ik dacht niet dat het louter verzinsel is, en ‘si non e vero… ‘ Het is een mooi verhaal.”

Michel Seuphor verklaarde onlangs in een interview: “Van Ostaijen hangt me de strot uit. Hij was onmogelijk. Bovendien is ‘Bezette Stad’ erg over het paard getild.” Gevraagd naar zijn mening, antwoordt Eemans laconiek: “Dat oordeel verwondert me niet. In de jaren twintig was Seuphor zowat de meest gehate figuur van de Antwerpse avantgarde. Daarom vluchtte hij naar Parijs. Ikzelf beschouw hem als een schoelie.”

In 1925-1926 verloochende Eemans de abstractie. Naar eigen verklaring beschouwt hij sedertdien de abstracte kunst als “een overwonnen standpunt en een materialistische, esthetische aberratie van de moderne kunst”. In de daaropvolgende jaren kende hij een bijzonder vruchtbare periode en ontstonden enkele van zijn meest representatieve surrealistische schilderijen. Hij knoopte een aantal levenslange vriendschappen aan, a.m. met E.L.T. Mesens, Camille Goemans, Jean Scutenaire en Marcel Lecomte. De Brusselse surrealisten waren luidruchtig, doorgaans onverdraagzaam en gingen een stevige scheldpartij nooit uit de weg. Samen met zijn eerste grote liefde, Irène Hamoir, – die in 1930 met Scutenaire huwde -, behoorde Eemans tot de innerlijke kring van de bent, de zogenaamde ‘Societe du Mystere’ rond Rene Magritte.

“Magritte heeft steeds een minachtende houding tegen over mij en Paul Delvaux gehad. Hij kon geen talentueuze kunstenaars naast zich dulden … Er wordt soms geschreven dat ik slechts een epigoon van Magritte ben. Het is voldoende de catalogus van het legaat Irène Hamoir Scutenaire te raadplegen en de reprodukties van mijn werken die er in opgenomen zijn te zien, om te kum1en vaststellen dat ik van meet af aan een eigen persoonlijkheid had. Ik ben eerder lyrisch en elegisch, romantisch aangelegd. Magritte eerder prozaïsch en platvloers, met zijn bolhoed en zijn kefhondje. Ik vertoef meestal op de kimmen, in de buurt van Walhalla en Olympos, hij op aarde. Zijn kunst is plebejisch, de mijne aristocratisch. Ik ben tenslotte een surrealistische ‘estheet’.

In een brief aan Goemans heeft Paul Nouge me een verwerpelijke ‘complaisance a la forme et a la couleur’ verweten. Mijn kunst was niet voldoende ‘anti-peinture’! Deze van Magritte wel…”

In 1930 voltrok zich de breuk met de surrealistische groep, gevolg van een geleidelijk afbrokkelingproces en van het huwelijk van Irène Hamoir. “Er is destijds geen bulla tegen mij gefulmineerd. De breuk met de groep werd gewoon gaandeweg een voldongen feit. Het was een zaak van tegengestelde sensibiliteiten.”

Anders dan de meeste Belgische surrealisten, die enerzijds een ludiek en wrang dadaïstisch trekje waren blijven vertonen en, anderzijds, hoe dan ook een bepaalde vorm van cartesiaanse rationaliteit bleven huldigen, werd Eemans aangetrokken door het esoterische, het occulte, de mystiek. Toen hij ten huize Lecomte een visioen van Hadewijch in Franse vertaling voorlas, hadden Nouge, Scutenaire en Magritte nogal koeltjes gereageerd. Daar hadden ze nu niet echt een boodschap aan. Bovendien speelden, aldus Eemans, de onvermijdelijke persoonlijke factoren een beslissende rol: “Camille Goemans had na het vertrek van Van Ostaijen de Vierge Poupine met Van Bruaene gerund. Wat later hield hij een galerie open in Parijs, rue de Seine 49. Hij was de eerste marchand van Salvador Dali en had ook een contract met Magritte, die toen in Parijs woonde. De zaak ging echter in 1930 over kop, omdat de geldschieter de vriendin van Goemans ‘geschaakt’ en de geldkraan dichtgedraaid had. Goemans en Magritte waren dan maar in armoede naar Brussel teruggekeerd.

De surrealisten namen Goemans dat faillissement – en de daaruit voortvloeiende armoede van Magritte – kwalijk, en Goemans diende zich voor zijn Brusselse vrienden te verantwoorden voor een soort inquisitietribunaal. Uiteraard werd hij met de nek bekeken. Ik heb toen Goemans financieel geholpen. Zijn morele ballingschap duurde tot in de jaren veertig, toen hij opnieuw een vermogend man was geworden, werken van Magritte kon kopen en een galerie openen onder de deknaam van zijn toekomstige, derde echtgenote Lou Cosijn”.

Eemans en Goemans richtten de uitgeverij Hermès op, waar Eemans ‘Vergeten te worden’ verscheen, 10 lijnvormen beïnvloed door 10 woordvormen. Dit klein ‘Gesamtkunstwerk’, dat een diepere, panerotische werkelijkheid oproept, wordt door professor Paul Hadermann (VUB) beschouwd als ‘in zijn tijd de enige Vlaamse surrealistische bundel’. In datzelfde jaar 1930 werden door Eemans plannen gesmeed om een tijdschrift te stichten: De laatste gids. Hij deed een beroep op Gaston Burssens, Victor Servranckx, Eddy du Perron en de surrealistische collagist Georges Mariën (een vriend van Paul Joostens, niet te verwarren met de in 1993 overleden Marcel Mariën). Verder dan een (onuitgegeven) manifest van de hand van Eemans kwam het niet. De toon van deze merkwaardige tekst is heftig anti-Belgisch, anti-kerk en antiburgerlijk, een pleidooi voor revolutionaire daadkracht, surrealistische ‘amour fou’ en enigszins dadaïstische humor.

Goemans deelde Eemans’ belangstelling voor het fascinerend braakland tussen poëzie en mystiek. Ze stichtten het tijdschrift Hermès (1933-1939). Henri Michaux fungeerde als redactie-secretaris, led en van het redactiecomité waren o.a. de filosoof van marxistische signatuur Bernard Groethuysen, een balling uit nazi-Duitsland, en Etienne Vauthier, de latere bibliothecaris van de ULB. De filosoof Jean Wahl, de oriëntalisten Emile Dermenghem en Henri Corbin droegen bij tot de internationale faam van het tijdschrift, waarin de Franstalige lezer voor de eerste maal geconfronteerd werd met teksten van Martin Heidegger en Karl Jaspers. Mecenas van het blad was mevrouw Mayrisch de Saint-Hubert, essayiste en vriendin van André Gide en Ernst Robert Curtius.

Toen de oorlog losbrak werd Eemans werkloos, hij was toen beambte bij de Belgische Dienst voor het Toerisme. Gedeeltelijk om den brode, maar ook uit overtuiging stortte hij zich in de culturele collaboratie. Zijn visie op het nationaalsocialisme was bepaald door een mythische en metafysische benadering. Gevoed door de Duitse mystici en romantiekkers, maar ook door de Noordse sagen, zag Eemans in het nazisme vooral een terugkeer tot de oertraditie, de wedergeboorte van een sacrale en magische wereld die ten onder was gegaan aan de technische, democratische maatschappij. Bovendien was hij gewonnen voor de strijd tegen de ‘ontaarde kunst’, alhoewel hijzelf als surrealist door nazibonzen als ‘ontaard’ en ‘decadent’ beschouwd werd. Feit is echter dat hij, samen met andere collaborateurs, waaronder Georges Marlier, Urbain Van de Voorde en Rene Baert, van de Brusselse Propagandastelle bekomen had dat er in België geen klopjacht op ‘entartete Kunst’ zou gehouden worden.

“Mijn collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog was er een met voorbehoud als bewust Groot-Nederlander. Ik was wel geen Belgisch verzetsman, maar een Dietse, zoals Wies Moens en co. Als Vlaamse nationalist voelde ik wel aanknopingspunten met het Duitse nationaal-socialisme. Maar er waren wellicht ook zeer grote verschillen, namelijk wat betreft het lot van Groot-Nederland in of naast het Derde Rijk. Er was zoiets als een ‘Chinese muur’ tussen Vlaanderen en het Noorden, die ik toch ettelijke keren overschreden heb voor het Groot-Nederlandse tijdschrift ‘Hamer’, dat van de Ahnenerbe afhing, en voor het oud blad ‘Groot Nederland’, dat tot in 1944- 1945 is blijven verschijnen. Het Dietse cultureel verzet kwam tot uitdrukking in de geheime bond der ‘Perseïden’ en in het ‘Busleydengenootschap’ onder leiding van dr. Juliane Gabriëls. Na een lezing van deze laatste in het Italiaanse Instituut aan de Brusselse Livornostraat, waarvan de directeur nota bene een antifascist was, werden Gabriëls en haar vrienden – de Perseïden, waaronder ikzelf – bij de Gestapo verklikt door een aanwezige SS-man, Heinz Wilke, omdat ze geweigerd hadden een heildronk te brengen op Hitler. Dit incident zorgde voor diplomatieke verwikkelingen tussen Brussel, Berlijn en Rome, en er werd met verzending naar een concentratiekamp gedreigd. Alles is tenslotte zonder ernstige gevolgen gebleven, dank zij de tussenkomst van een hoge SS-dignitaris, Wolfram Sievers.

Als partijloze heb ik meegewerkt aan allerlei zowel Franstalige als Nederlandstalige week- en dagbladen, inbegrepen de ‘SS-Man’. Ik schreef echter niet over politieke, maar uitsluitend over culturele onderwerpen. Gedurende de bezetting had ik trouwens vooral niet-nazi Duitse relaties.

Wat mijn antisemitisme betreft, ik heb inderdaad ooit een bijdrage geschreven over Luther en de Joden, en de uitdrukking ‘sale juif’ gebruikt, zoals men ‘sale flamin’ zegt. Tijdens de oorlog heb ik niet geaarzeld, samen met mijn vriend Ewoud van Tonderen, werk te verschaffen aan een Duitse Jood van wie vrouw en kind in een Brits concentratiekamp verbleven als Duitse onderdanen. In de redactie van Hermès zaten Joden en marxisten, en tegenwoordig heb ik intieme Joodse vrienden. Ik was en blijf een vrij man, ‘au des sus de la melée’.”

Na de bevrijding werd Eemans in het proces van de rexistische krant Le Pays Réel tot acht jaar veroordeeld. “Ik heb er iets minder dan vier uitgezeten, voornamelijk in het Brusselse Klein Kasteeltje, veroordeeld op grand van een retroactieve wet, door de communisten bestempeld als ‘loi scélérate’, en nog wel door een niet bevoegde – militaire – rechtbank in plaats van het wettelijk bevoegd Assisenhof.

Naast een aantal buitenlandse personaliteiten als Nobelprijs-winnaar T. S. Eliot, NRF-directeur en verzetsman Jean Paulhan en Patrice de la Tour du Pin, hebben ook o.a. Emmanuel de Born, Marnix Gijsen en Paul Fierens een genadeverzoek ondertekend ten gunste van Eemans. “Ik ben in ere hersteld en ridder in de Kroonorde.”

Eemans had betaald, zoals dat heet. Dat belette echter niet dat hij bij herhaling in felle bewoordingen aan de schandpaal werd genageld door surrealisten als Marcel Mariën en Tom Gut, a.m. in de genadeloze pamfletten ‘Een toontje lager’ (1962) en ‘Autant en rapporte le vent’ (1973).

“Aan de campagne tegen de nazi Eemans hebben mijn surrealistische vrienden uit de jaren twintig nooit deelgenomen. Het ging om een persoonlijke hetze ontketend door Marcel Mariën en gevolgd door zijn jonge vrienden neosurrealisten. In feite berustte ze niet eens op politieke gronden, maar op een vrouwenkwestie, nl. op een amoureuze vriendschap uit mijn jeugd met de schilderes Jane Graverol die nog duurde toen Mariën in dienst van het propaganda-apparaat van Mao in Bejing vertoefde. En dat was onduldbaar voor haar verre minnaar. Met E.L.T. Mesens en Marcel Lecomte bijv. ben ik tot aan hun dood bevriend gebleven. Mesens, die zijn uitzendingen voor de BBC tijdens de oorlog steevast beëindigde met een stevige: “De moffen, we krijgen ze wel!” Maar hij weigerde de hand te drukken van medesurrealisten die, zij aan zij met de communisten, de anarchisten en trotskyisten tijdens de Spaanse burgeroorlog de dood hadden ingejaagd: daar kleefde echt bloed aan! Tot op het einde van zijn leven ging mijn vriend Scutenaire er prat op dat hij stalinist was. Maar ja, Chavée en Scut stonden aan de goede kant.

Ik ben op alle punten en in alle richtingen een man vol tegenstellingen, een sentimentele anarchist, volgens de heerlijke formule van Mesens, en ‘sans dieu ni maître’. Ieder zijn waarheid, zegt Pirandello. En voor het overige: leve de vrijheid in een onvrije wereld, de onze!”

Henri-Floris JESPERS

Advertenties
%d bloggers liken dit: