“Magrittisme”: de surrealistische omwenteling en haar naweeën

Jane Graverol

Het lijkt mij onmogelijk te spreken over surrealistische schilderkunst zonder dadelijk het woord “omwenteling” ernaast te zetten. Vergeten wij inderdaad niet dat het tijdschrift van de Franse surrealistische groep waarvan André Breton de bezieler was, de titel droeg: La revolution surrealiste. Toen dat tijdschrift verdween, werd het door een ander vervangen: Le surrealisme au service de la revolution. De surrealistische beweging, die op de dadaïstische subversie volgde, was van eerst af een groep van jonge intellectuelen: dichters, schilders en beeldhouwers die zich losgescheurd hadden van de burgerlijke maatschappij, waaruit zij voortgekomen waren. Eerst matig anarchistisch – sentimenteel anarchistisch, dat spreekt – bekeerden zij zich daarna tot het marxisme, althans tot een zeker marxisme dat vaak in conflict was met het orthodoxe marxisme. Voor de meesten was het maar een salon-marxisme, want zij die ertoe kwamen consequent te zijn met hun politieke overtuiging en zich te onderwerpen aan de tucht van de kommunistische partij, waren zeer zeldzaam.

Niet elkeen die het verlangt te zijn, is een surrealist. Men dient voorzichtig te zijn als men het epitheton “surrealistisch” geeft aan iemand die een kunst toepast welke estetisch enigszins gelijkt op die welke gehuldigd wordt in de kringen van André Breton en van zijn vrienden of in de buitenlandse groepen die zich als de filialen van deze orthodoxie beschouwen. Zo zijn, bijvoorbeeld, een Felix Labisse en een Paul Delvaux geen, “surrealistische” schilders in de strikte zin van het woord, net zoals Giorgio de Chirico, Salvador Dali en Max Ernst opgehouden zijn het te zijn de dag waarop zij een surrealistische oekaze kregen. Er zijn natuurlijk marginale gevallen, zoals Joan Miro en Jean Arp die nooit geheel “surrealistisch” waren en daarom nimmer het voorwerp van een uitdrijving geweest zijn.

Spreken wij nu over het Belgische surrealisme dat vele jaren innig verbonden was met de groep van André Breton. Evenals die stroming heeft het ook zijn marxistische crisis gehad en afgesloten van de wereld geleefd. En ook daar zijn er uitsluitingen en scheidingen geweest. Lange tijd werd de kern gevormd door Paul Nougé, de voornaamste denkmeester van het cenakel, en door René Magritte (Lessen 1898 – Brussel 1967), de schilder bij uitnemendheid van de groep. Wij verklaren ronduit dat wij deze kunstenaar als een der belangrijkste van deze tijd beschouwen, ofschoon hij steeds beweerd heeft slechts “anti-schilderkunst” te bedrijven.

De surrealistische roeping van René Magritte kondigde zich betrekkelijk laat aan; hij heeft dan ook veel weifelende pogingen gekend die hem beurtelings onder de verleiding brachten van het kubisme, het futurisme, het expressionisme en zelfs van de “zuivere beelding”, tot op het ogenblik dat de dichter Marcel Lecomte hem de reproduktie toonde van een schilderij van Chirico: De zang der liefde. Dat was de grote revelatie en het vertrek naar de Magritte-wereld van balvangertjes, rinkelbelletjes, bolhoeden, muziekinstrumenten en andere vaak zeer gewone dingen. Doch de bewering dat Magritte’s schilderijen zo maar wat losse beelden voorstellen, is een grove vergissing, want alles is er overwogen en vaak het resultaat van een “collectieve vinding” door Magritte en zijn vrienden. Zoals Paul Nougé gezegd heeft: “De beelden door René Magritte geschilderd willen ons wakker maken, ons rukken uit de minderwaardige slaap van het automatisme en de gewoonte. Als ze ons bekoren, verontrusten, beledigen of ons geweld aandoen komt dat uiteindelijk steeds ten goede aan ons geweten”.

De Magritte-geest heeft tot merkwaardige resultaten geleid, maar ook tot schrijnende mislukkingen. Een der schoonste successen is ontegenzeglijk Het rijk der lichten (Brussel, Museum voor Moderne Kunst). Andere merkwaardige doeken, om er slechts enkele te noemen, zijn voor ons De boodschap (oude verzameling E.L.T. Mesens), Het bindteken, Het geheugen (Brussel, verzameling van de Belgische Staat), De prins der dingen (Heverlee-Leuven, privé-verzameling) en De gezellen van de vrees (verzameling mevrouw Jean Krebs). Bij de werken die wij als minderwaardig beschouwen en het grote talent van Magritte geheel onwaardig, mogen gerekend worden al diegene die behoren tot zijn zogenaamde “impressionistische” periode, want ze zijn niet alleen schreeuwerig en slecht uitgevoerd, doch ook meestal smakeloos van inspiratie.

Wat het “magrittisme” betreft – want er bestaat een hele groep schilders die zijn “evenknie” menen te kunnen zijn -, wij zullen hen stilzwijgend voorbijgaan en met E.L.T. Mesens tegen die heren zeggen: “Steek boven Magritte uit als gij het kunt, of laat anders de schilderkunst varen”.

E.L.T. Mesens (1903-1971), Magritte’s vriend van het eerste uur, en een der eerste bewerkers van zijn huidige beroemdheid, heeft (hoewel zelf geen schilder) gepoogd, niet Magritte voorbij te streven, maar wei iets heel anders te doen dan “magrittisme”. Hij heeft de collagekunst beoefend op een even volmaakte als gevoelige wijze. Deze collages, al stemmen ze zelden overeen met de gewone normen van het denken, de logica en de moraal, zijn nochtans nooit irritant, zelfs niet ongewoon, want ze munten vóór alles uit door een echte zin voor poëzie en getuigen evenzeer van een zeer grote verfijning, zowel in de kleur als in de uitvoering.

In 1924 met collages begonnen, die min of meer aan die van Max Ernst doen denken, benutte Mesens meer en meer het tekenen en het schilderen om zijn collages aan te vullen tot echte schilderijen.

In al die collages manifesteert zich een speelse kunst, in het verlengde van het dadaïsme, maar die desondanks haar specifiek goede eigenschappen heeft. Er is een “Mesens-geest” die uit charme bestaat, maar ook uit gratie en klaarheid, want ik kende geen klaarziender mens dan hij op het gebied van de werkelijke waarden van de hedendaagse kunst.

Toen, onder de impuls van zijn vriend, de dichter Hubert Dubois, Auguste Mambour zich van 1926 tot 1929 tot het surrealisme bekeerde, bracht hij alles mee van wat een talentrijk schilder aan vakmanschap verworven had. Van die korte bekering tot het surrealisme, die waarschijnlijk niet heel oprecht was, is vooral de herinnering gebleven aan een doek Reutelversperring (Luik, Musee de l’Art wallon), evenals een reeks tekeningen getiteld Euréels. Het is eigenlijk heel weinig…

Verscheidene jaren later werd de Belgische surrealistische schilderkunst verrijkt door drie schilderende dames: Suzanne van Damme, Jane Graverol en Rachel Baes.

Juist zoals die van Mambour, was de verschijning van Suzanne van Damme (Gent, 1901) aan de hemel van het Belgische surrealisme slechts kortstondig, precies lang genoeg om ettelijke surrealistische dichters, als Marcel Lecomte en Paul Colinet, te verleiden en om werken te schilderen die meer met fantastische kunst dan met eigenlijk surrealisme te maken hebben. De techniek van deze doeken is verfijnd en de silhouetten van vrouwen en van monsters die erbij te pas komen, zijn van een zeldzame elegantie. Men vindt er reminiscenties aan Salvador Dali, maar ook aan Lucien Coutaud, wat ons feitelijk ver verwijdert van het surrealisme.

Dit is niet het geval voor Jane Graverol (1907-1984) die in de Belgische surrealistische kringen thuis was, vooral in die van Paul Nougé, van Louis Scutenaire en van Marcel Marien. Een hele tijd heeft men haar van “magrittisme” beschuldigd, maar wat daarvan aanwezig kon zijn in haar surrealistische werken, is reeds lang voorbijgestreefd. Jane Graverol heeft werken gepenseeld vol van ongewone dingen en met heimelijke zinspelingen. Zo zal een blote vrouwenborst een vogel ertoe aanzetten “het inluiden van de lente” te bezingen. Wij kennen van haar ook doeken vol misschien godlasterlijke bedoelingen, zoals het schilderij De Heilige Geest. Godlasterlijk of niet, toch is dit doek geheel geladen met poëzie. Uit elk schilderij van Jane Graverol ontspringt de poëzie bij stromen, en die stromen zijn even teer als onstuimig, want bij haar is het surrealisme vrouw geworden en dit met een wellust waarvan de erotiek geheel geladen is met evanescentie…

Boven de surrealistische kringen waarin zij te Parijs verkeerde, verkoos Rachel Baes (1912-1983) de verheven eenzaamheid van haar Brugse afzondering. Zij leidde er het leven van hen die aan herinneringen toe zijn en zich aan de cultus wijden van een absolute, aan gene zijde waarvan men nog slechts asse vindt…

Dochter van een schilder die lid was van het Institut de France, begon Rachel Baes reeds zeer vroeg met schilderen, want ze was nauwelijks zeventien jaar toen zij reeds werken tentoonstelde te Parijs in het Salon des Surindépendants. Pas vrij laat nochtans heeft zij zich bekeerd tot het surrealisme, waar zij dadelijk een uitzonderlijke plaats veroverde die aan niemand iets verschuldigd is en die de weerspiegeling is van een bovenmatig introverte persoonlijkheid.

Sedert zij in Brugge woonde had Rachel Baes zich erop toegelegd in “Brugse kant”. figuren te schilderen, alsook het belfort van die stad. Die lokale inkleding heeft haar kunst een “Vlaamse” sfeer gegeven, tot dan toe ongekend in de wereld van het surrealisme.

In tegenstelling tot Magritte of Jane Graverol die zich voor de uitvoering van hun schilderijen-ideeën gaarne bedienen van een gladde en bijna natuurgetrouwe factuur, gebruikt Rachel Baes een veeleer expressionistische techniek met deformaties en schematiseringen van de tastbare werkelijkheid die doen denken aan de kunst van de Vlaamse expressionisten. Zij gebruikt zwarte, grijze, asblauwe, grauwgroene en paarsachtig rode (zeer zelden lichtgele) kleuren, en de verf is eerder dof en ruw, dat alles in harmonie met haar onderwerpen. De doeken van die kunstenares zijn feitelijk als dromen bij wake, om “wakker” te blijven. Ze zijn van een vreselijke luciditeit, de luciditeit van een vrouw die het ontleedmes omdraait in haar eigen levende vlees, om het daarin knagende kwaad eruit te snijden. Volgens René Magritte zou de wereld van Rachel Baes de “wereld van Marcel Proust” zijn, die van het zich weder herinneren… Er is daar eveneens een zeer Maeterlinck-achtige angst in “eenzame trots” gedrapeerd, zoals Geert van Bruaene zei.

Raoul Ubac (Malmedy, 1910) debuteerde als fotograaf in het surrealisme en kwam pas in 1932 bij de Belgische surrealistische groep doch verliet deze kort na de tweede wereldoorlog weer toen hij zich in Parijs vestigde om er als min of meer non-figuratief schilder een mooie carrière te maken onder de bescherming van de Galerie Maeght. Het bewijs dat hij tot de surrealistische orthodoxie behoorde, leverde hij door, in 1938, deel te nemen aan de internationale surrealistische tentoonstelling in de Galerie des Beaux-Arts te Parijs. Zijn korte surrealistische periode was vooral gekenmerkt door fotografische composities, surrealistisch van vinding.

Hoewel laat tot het surrealisme gekomen, heeft Jules Lempereur (Nijvel, 1902) er zijn adelbrieven verworven dank zij de surrealistische dichter Marcel Lecomte die door sommige van Lempereurs schilderijen geïnspireerd werd tot een reeks van prozagedichten, getiteld: Connaissance des degres.

Ofschoon hij nooit andere dan toevallige relaties met de Belgische surrealistische groep gehad heeft, wordt Paul Delvaux (Antheit, 1897) thans beschouwd als de grootste Belgische surrealistische schilder na Magritte, en zijn reputatie heeft, evenals die van voornoemde, de grenzen van ons land ver overschreden.

In zijn jeugd heeft Paul Delvaux werken van expressionistische aard geschilderd en tevens landschappen in aquarel die wijzen op het temperament van een schilder die zeker een schitterende carrière had kunnen maken op het gebied van de schilderkunst-om-de-schilderkunst. Maar omstreeks 1935 werd Delvaux plotseling getroffen door de genade van het surrealisme. Dat kwam volgens sommigen door de sterke aantrekkingskracht die de pittura metafisica van Giorgio de Chirico op hem uitoefende; volgens anderen door het navolgen van de werken van Magritte. Van navolging kan echter geen sprake zijn, want Delvaux’ universum is geheel verschillend van dat van Magritte: er bestaat niet de geringste overeenkomst. Terwijl bij Magritte alles voortkomt uit een streven dat wij “Cartesiaans” zouden noemen en alles verwerkt wordt op een uiterst bewuste wijze, rijst daarentegen bij Delvaux de inspiratie uit de diepten van zijn onbewust wezen. Men heeft zijn schilderkunst bezeten genoemd, en ze is het zonder twijfel, al was het maar wegens die lange stoet van naakte vrouwen die door, de meeste van zijn doeken rondwaren. En dat zijn dan naaktfiguren met sterk geaccentueerde geslachtskenmerken en meestal staan ze naast zeer burgerlijk geklede heren die er veeleer uitzien als vulgaire voyeurs. AI die personages hebben nochtans iets dromerigs en zijn als zovele slaapwandelaars, verdwaald in de netten van een wereld die niet meer van deze wereld is door te veel van deze wereld te zijn. En inderdaad, Paul Delvaux’ wereld is bijna uitsluitend die van de droom en vertoont misschien meer verwantschap met de psychoanalyse dan met de kunstkritiek. Deze heeft hier nochtans ook haar woordje te zeggen, waar het gaat over de techniek van deze schilder die vaak arm aan “matière” is, doch in deze schilderkunst kan men andere kwaliteiten erkennen en ze definiëren als een zoon van anti-schilderkunst, maar dan van een geheel andere aard dan die van Magritte. Ja, Delvaux’ kunst is vóór alles ideeën-schilderkunst, en als zodanig blijft ze niet beperkt tot de droomwereld; verscheidene van zijn doeken zijn immers als zovele varianten op het memento quia pulvis es. Die zijn dan bevolkt met geraamten die zich met de meest diverse dingen bezighouden en zelfs het drama van Jezus’ lijden mimeren. Het zijn alle werken die deel uitmaken van een uiterst luguber spel en die verbijsteren en in verwarring brengen.

Wij denken ook nog aan andere doeken die ons in een Jules Verne-sfeer dompelen, en ook aan die welke bij Delvaux een onmiskenbaar heimwee onthullen om weg te reizen naar onbestaande horizonten; vandaar zijn evocaties van landelijke of voorstad-stationnetjes, van treinen die aankomen of gehoor geven aan het vertreksignaal. Vaak ook zijn het gesloten slagbomen en kleine meisjes die dat vertrek missen.

Tenslotte, zoals Paul Haesaerts schreef, is er bij Paul Delvaux altijd “een toevallige samenvoeging van vreemdsoortige elementen die in zijn geest rondwaren; ze veranderen er gedurig van plaats, alsof ze zich in een kaleidoscoop bevinden die men in beweging brengt”. Terwijl Magritte een uiterst helder surrealisme beoefent waarvan hij de samenstellende delen met een onverbiddelijke, koele methode en logica leidt, voelt men dat Delvaux daarentegen bezeten is door een wereld die hem specifiek eigen is. Hij wordt meegesleurd door de vloedgolf van zijn intiemste ik, om te dwalen in een doolhof waar geen draad van Ariadne hem schijnt te willen helpen en naar het volle daglicht voeren…

Een andere “niet-orthodoxe” surrealist is Maxime van de Woestijne (Leuven, 1911), zoon van de schilder Gustave van de Woestijne. Sommige van zijn werken zijn ontegenzeglijk door Magritte geïnspireerd, doch Van de Woestijne heeft noch de dialectische strengheid, noch de statigheid van de meester van Het rijk der lichten. Hij is dan ook meer zichzelf in schilderijen die veeleer poëtisch dan surrealistisch geïnspireerd zijn.

Nadat Pol Bury (Haine-Saint-Paul, 1922) jarenlang een der voornaamste vertegenwoordigers geweest is van de surrealistische groep in Henegouwen, is hij de weg ingeslagen naar andere aspecten van de avant-gardekunst. Zo kan men zeggen dat zijn “surrealisme” slechts een ieer voorbijgaande etappe geweest is in zijn kunstenaarsloopbaan die voor het ogenblik zich schijnt te vermeien in wat men de kinetische kunst zou kunnen noemen. Eveneens nog een woord over de prachtige surrealistische tekenaar Armand Simon (1906-1981), een eenzaat die “De zangen van Maldoror” op een prachtige wijze geïllustreerd heeft.

Aan de rand van het surrealisme heeft zich een pseudo-surrealistische stroming ontwikkeld waar, naast bedreven schilders van het gehalte van Jean Ransy (Baulet, 1910) en Marcel Delmotte (Charleroi, 1901) of Delporte met hun beproefde academische techniek, ook fabrikanten van “surrealistische” schilderkunst opgedaagd zijn aan wier knoeiwerk wij beter stilzwijgend voorbijgaan. Maar naast dezen is er ook een “fantastische” stroming met vaak magisch-hermetische bedoelingen die zich onder de benaming “fantasmagie” geconcretiseerd heeft.

Van België uit, waar deze beweging in 1958 is ontstaan, heeft ze zich in verscheidene landen verspreid waaronder Frankrijk, Duitsland, Nederland, Tsjechoslovakije en Joegoslavië.

Het beste en het slechtste treft men er in de grootste verwarring aan: sommige van deze artiesten zijn beïnvloed door de science-fiction, andere beroepen zich kordaat op de occulte wetenschappen, ja zelfs op de Rozenkruisbeweging. Onder de meest waarachtige kunstenaars noemen wij allereerst Robert Geenens (1896-1976), een overloper van het magische realisme, met een zeer gedegen kunst, merkwaardig van techniek en van grote esthetische waarde, aan de uiterste grens van de non-figuratieve kunst. Er zijn ook Aubin Pasque (1903-1981) met zijn glansrijke kosmogonische werken vol referenties aan de occulte kunst, en Paul Dufrane (Brussel, 1922) wiens kunst vooral door de droom geïnspireerd wordt en waarvan de factuur steeds volmaakt is. Op dit niveau vernoemen wij tegelijk Victor Lefevre (1912) en zijn vrouw Gilberte Dumont, twee artiesten die met voorliefde een ontegenzeglijk magisch realisme beoefenen. Maar er is ook de “proteiforme” Alexis Keunen (Luik, 1921) wiens beproefde techniek nooit te kort schiet, alsmede Elisabeth Geurden (Gent, 1924) wier kunst vóór alles een obsessioneel karakter heeft.

Zullen wij bij deze “fantasmagische” kunstenaars Jacques Lacomblez (Brussel, 1934) rekenen, die altijd vijandig gestaan heeft tegenover de “fantasmagie” hoewel zijn kunst van dezelfde esoterische criteria uitgaat? Vergeten wij vooral Urbain Herregodts niet (Edegem, 1935) wiens kunst zich ook in die richting beweegt, maar dan met een grotere oorspronkelijkheid. Hij illustreerde L’agenda d’emeraude van de surrealistische dichter Achille Chavee. Dan is er ook nog het zonderlinge geval van Trebla, een visionaire en mediamieke schilder wiens kunst bij het zuiver psychisch automatisme aanleunt. Een vooraanstaande figuur is Octaaf Landuyt (Gent, 1922). Hij debuteerde met tamelijk realistische composities die “surrealistisch” geïnspireerd waren. Daarna schakelde hij naar een meer expressionistische schilderkunst over waaraan zijn techniek van groot paletvirtuoos een werkelijk weelderige schoonheid verleende. In die fase van zijn kunst heeft Landuyt vaak “viscerale” onderwerpen of echt monsterachtige personages behandeld, maar zijn schitterende kleur geeft aan die verbijsterende wereld een fascinerende magie.

Al blijft men hem mordicus onder de surrealisten rangschikken, toch moet Octaaf Landuyt veeleer gerekend worden tot de neo-expressionistische schilders van de naoorlogse tijd. Zijn kunst steunt zeer zeker op een fantastische visie van de wereld; maar alles wat fantastisch is, is niet noodzakelijk surrealistisch… Verre van dat!

Eemans, M. (1984). De laatste surrealist. Antwerpen: Kunst en kapitaal, 103-116.

Advertenties
%d bloggers liken dit: