Interview met Marc. Eemans

Marc. Eemans met Réne Baert (rechts)

Marc. Eemans met Réne Baert (rechts)

Interview door Koenraad Logghe en Robert Steuckers naar aanleiding van de 82e verjaardag van Marc. Eemans. Verschenen in De Vrijbuiter, jaargang 7, nr. 1, 1989. Zie ook de eerder geplaatste Franse versie, die in redactioneel opzicht vollediger is door de toevoeging van een notenapparaat.

Tussen uw geboorte en uw eerste doek ligt een periode die heel belangrijk is geweest. Hoe zou u deze omschrijven?

M.E.: Ik ben in 1907 te Dendermonde geboren. Mijn vader was een kunstminnend man en hij kende verscheidene vrienden die schilder waren. Op 8-jarige leeftijd kwam ik in kontakt met een verre bloedverwant die beeldhouwer en activist was: Emile Bowaert. Niettegenstaande hij nooit tot iets gekomen is, is hij toch van grote betekenis voor mij geweest. Het was dank zij Bowaert dat ik voor de eerste maal met activistische schrijvers in kontakt kwam. Anderzijds had ik nog een broer, die ook activist was. Destijds werd hij aangenomen bij La Dernière Heure als Journalist toen het eerste groot proces in het Nederlands plaatsvond: het was dat van Dr. August Borms. Tot op heden staat hij er bekend als “le flamingant de la dernière heure”. Toch was hij hevig anti-kollaboratie. De zwarten zijn voor hem nog altijd smeerlappen.

En uw drang naar tekenen of schilderen?

M.E.: Ah, ik heb altijd de kunstenaars gevolgd, nietwaar. Het was reeds na de 2e W.O. dat ik de schilder Baron Frans Goertens had leren kennen. ‘k Ben ook eens op bezoek geweest bij de schilder Eugène Laermans. en er waren er nog tal van anderen. Zo o.a. een échte vriend van m’n vader, een thans totaal onbekende schilder, Eugène van Mierloo. Bij zijn dood heb ik vernomen dat hij deel had genomen als reporter-tekenaar aan de expeditie naar de Zuidpool. Tijdens de oorlog zelf bezocht ik een tentoonstelling van schilders die nu een zekere faam verworven hebben: Felix Deboeck, Victor Servranckx, Jozef Peeters, maar toen was nog geen enkel van hen abstract schilder. Enkele Jaren later is dan die “boom” gekomen in de moderne kunst met de eerste abstracten. Toen Servranckx een eigen tentoonstelling hield, ben ik met hem in kontakt gekomen en sedertdien beschouwde hij me als z’n eerste volgeling. Ik was ongeveer 15 jaar toen ik abstract begon te schilderen. Op 16-Jarige leeftijd werkte ik reeds mee aan een avant-gardeblad dat “Sept Art” heette. Medewerkers waren o.m. de dichter Pierre Bourgeois, de dichter-schilder-tekenaar Pierre Louis Foucquet, de architect Victor Bourgeois. Maar erg lang ben ik niet abstract gebleven. Het was té gemakkelijk. Vervolgens kwam er een toneelspeler in m’n leven, Geert van Bruane. Ik leerde hem reeds vroeger kennen en hij liet diepe sporen in mijn verbeelding achter als de “zwansbaron”. Maar toen ik hem dus op 15-jarige leeftijd opnieuw ontmoette, was hij de direkteur van een kleine kunstgalerij “Mal Dehors”, waar alle avant-gardisten samenkwamen en waar hij de eerste Duitse expressionisten tentoonstelde. Het is via Bruane dat ik Paul van Ostaijen leerde kennen. Geert van Bruane dweepte met “les Chants de Mal Dehors” van de zogezegde graaf Comte de Lautréamont, één van de voornaamste voorlopers van het surrealisme. Zo werd ik surrealist zonder het zelf te beseffen, dankzij Bruane. Ik ben overgestapt van de abstracte kunst naar het surrealisme toen de abstracte beelden overeenstemden met figuratieve zaken. Ik was toen ook nog kommunist…

Was het evident dat toen in die tijd de intelligentsia en de kunstenaars overhelden naar het linkse front? U maakte ook een schilderij met Lenin: “Hommage au père de la Révolution”…

M.E.: Kijk, dat is hetzelfde fenomeen geweest bij de Franse revolutie, hé. Al de jonge intellectuelen, zowel in Frankrijk als in Duitsland, waren allen pro de Franse revolutie maar naargelang deze evolueerde, de terreur toenam enz… trokken ze zich terug. En dan is Napoleon gekomen. Dan was ’t helemaal gedaan. Zo is het geweest met Goethe, Schelling, Hegel, Hölderlin… Hetzelfde fenomeen heeft zich voorgedaan met de Russische revolutie. Men dacht dat er mirakels gingen gebeuren, maar deze bleven uit. En dan was er de oppositie van Trotsky die meende dat de revolutie nog maar pas begonnen was. We moesten verder, hé!

Is dat het revolutionair of non-konformistisch karakter dat zich in elke kunstenaar bevindt?

M.E.: Ik ben altijd een non-konformist geweest, zelfs tijdens het nazisme. Lang voor de oorlog was ik een bewonderaar van het “Zwart Front” van Otto Strasser. Die was anti-Hitler omdat hij vond dat Hitler de revolutie verloochende. Ik ben altijd in de oppositie geweest en ben er zeker van dat, moesten de Duitsers het pleit gewonnen hebben, ik in een concentratiekamp terecht gekomen zou zijn.

Naast uw schilderkunst bent u ook een merkwaardig man kwestie van belezenheid, als we weten wie u allemaal beïnvloed heeft.

M.E.: Ik heb me altijd aan de literatuur geïnteresseerd. Op het atheneum te Brussel had ik een bijzondere professor, een zekere Maurits Brants, auteur van een bloemlezing voor de scholen “Dicht en Proza”. En in z’n klas hingen posters met de helden uit het Nibelungenlied. En m’n oudere broer was Wagneriaan. Zo ontdekte ik dus de Germaanse mythen. Deze Germaanse beelden zijn me altijd bijgebleven en dit scheidde me van de andere surrealisten. Die kenden daar niets van. André Breton was toch reeds een 10 jaren surrealist vooraleer hij de Duitse romantici ontdekte dank zij een vriendinnetje uit de Elzas. Die beweerde dat er reeds surrealisten in het begin van de 19de eeuw bestonden: Novalis… Ik heb Novalis ontdekt in een vertaling van Maeterlinck dank zij een vriend toen ik 17 jaar was. En dan ook Couperus als symbolist: Psyche, Fidessa en Extase.

Bent u sterk door Couperus beïnvloed geweest?

M.E.: Vooral wat de taal betreft. Tot op heden is mijn taal nog altijd Couperiaans, want voor mij is het Nederlands als Brusselaar bijna een artificiële taal geworden, hé.

In uw werk zijn mystiek, mythiek en surrealisme dus niet te scheiden?

M.E.: Neen, ik ben zo een beetje een mythische surrealist. Ik ben altijd tegen het kleinburgerlijke van een Magritte geweest, hé. Mijnheer met zijn bolhoed en zijn hondje… Magritte was ook een slechte minnaar in bed. Zijn vrouw bedroog hem. Hij ging geregeld naar het bordeel met zijn bolhoed op. Meesens, ook een surrealist, vertelde me dat hij met zijn bolhoed op om de 14 dagen naar een bordeeltje bij het Noordstation ging.

Aanvankelijk waren jullie vrienden ondereen. Hoe is dan die scheiding ontstaan?

M.E.: Dat was in 1930. Eén van onze surrealisten, Kamiel Goemans, de zoon van de sekretaris van de Vlaamse Academie, had een kunstgalerij te Parijs, en die ging failliet. Op dat ogenblik had hij een kontrakt met Magritte, Dali en mijzelf. Na het failliet heeft Dali z’n weg gevonden dankzij Gala, die een echte feeks moet geweest zijn. Magritte kwam terug van Parijs naar Brussel en werd een sukkelaar. Iedereen zei: “Die smerige Goemans! ’t Is zijn schuld dat Magritte in de miserie zit.” Dit nam ik niet. En dan vormden Goemans en ik een tweemanschap. Vervolgens verscheen het tweede surrealistisch manifest, waarin Breton o .m. schrijft dat het surrealisme geocculteerd moet worden, d.w.z. onthouding van alles. Wij namen dat letterlijk. We waren reeds beïnvloed door de Germaanse mythen, de mystiek… en richtten dan een tijdschrift op, Hermes, dat gewijd was aan de comparatieve studie van het mysticisme, de poëzie en de wijsbegeerte. Het had een formidabel succes, zodanig zelfs dat op een een bepaald moment in de redaktie de auteur van het boek “Rimbaud le voyant”, André Roland de Renéville, zetelde; een Duitse anti-Hitler-filosoof, die uitgeweken was uit Duitsland en die te Parijs lektor voor Duitse literatuur was bij Gallimard, Bernard Groothuysen. Hij heeft ons op zijn beurt andere medewerkers aangebracht en bezorgde ons zelfs teksten van de grote filosofen die op dat mom e nt nog praktisch onbekend waren: Heidegger, Jaspers en nog enkele andere. We hebben dus als eerste teksten gepubliceerd zoals fragmenten uit Sein und Zeit. We hadden ook nog een medewerker die één van de eerste vertalers van Heidegger geweest is, nl. Henry Corbin (1903-1978), maar die achteraf een Iranoloog van de hoogste plank geworden is. En dan hadden we ook nog de redaktiesekretaris, de beroemde dichter-schilder Henri Michaux. Dat was louter toeval. Goemans had hem als medestudent aan het college St. Jan Berghmans gekend en op dat ogenblik was hij een sukkelaar. De dame van Groothuysen, ze was de weduwe van één van de grote bazen van Arbed, het staalconcern, deed ons een voorstel. Michaux aannemen als redaktiesekretaris en zij zou dan z’n maandelijkse wedde betalen plus de fakturen van het tijdschrift. Dat was een ideale oplossing, hé en nu kan ik dus zeggen dat de beroemde Henri Michaux mijn bediende was. (Een glimlach verschijnt op z’n gezicht).

Dus via Groothuysen hebt u Heideggers werk leren kennen?

M.E.: Ja, op dat ogenblik werd hij min of meer bekend, nietwaar. In het Frans verscheen bij Gallimard als eerste werk fragmenten uit Sein und Zeit. Persoonlijk heb ik nooit kontakt met hem gehad, maar na de oorlog heb ik hem toch eens geschreven om iets te vragen. Ik had een interview gelezen waarin hij zei dat Sartre geen filosoof is, maar Georges Bataille wel. Ik vroeg hem om uitleg en herinnerde er hem aan dat ik één van de eerste Franstalige uitgevers van zijn werken was. Dan stuurde hij mij een kaartje terug met z’n portret: “Herzlichen Dank!” Dat is zijn antwoord geweest.

U werkte ook mee aan Ahnenerbe. Hoe bent u hiertoe gekomen?

M.E.: Wel ja. voor de oorlog was ik bevriend met Juliaan Bernards, in de wereld van de literatuur beter bekend als Henri Facque. Hij was gehuwd met een Duitse vrouw en hield een internationale boekhandel open in de Koningsstraat. Ik vermoed dat die zaak een verkapte propagandaboekhandel van Goebbels of Rosenberg was. Op een bepaald ogenblik deed Bernards mij een voorstel om mee te werken aan een nieuwe uitgeverij. Daar ik praktisch zonder werk zat nam ik dat aan. Het was de uitgeverij van Ahnenerbe. We hebben een 10-tal boeken uitgegeven en hadden nog grootscheepse plannen.

Er was ook een maandblad, Hamer. Daar schreef u ook in?

M.E.: Ja, anoniem. Ik ben altijd verliefd geweest op Holland en tussen Vlaanderen en Holland was er een muur. Dankzij Hamer kon ik deze overschrijden. Ik was de bode die regelmatig naar Amsterdam mocht gaan met geschriften die in Hamer dienden te verschijnen. Maar de hoofdredakteur van Hamer Nederland was ook een Groot-Nederlander en hij had het tijdschrift Groot-Nederland ingepalmd. Het verscheen tijdens de oorlog en ik bracht dan kopieën voor het blad. Zo heeft Urbain van de Voorde meegewerkt aan Groot-Nederland. Ik was tenslotte ook een weerstander binnen het nationaal-socialisme, hé! U kent de these: het Groot Duitse Rijk waarin Vlaanderen een gouw zou zijn. Ik zei: “Ik wil wel. maar men moet organisch te werk gaan. Eerst Vlaanderen en Nederland samen, en dan kunnen we natuurlijk in het Rijk tevoorschijn komen als Groot-Nederland.” En voor ons ging Groot-Nederland tot aan de Somme, hé!

Was dat de invloed van Joris van Severen?

M.E.: Neen, Van Severen, dat was een echte zeveraar! ’t Was een Franskiljon! Hij was natuurlijk franstalig grootgebracht en aan het front is hij een beetje fronter geworden. Toen het Verdinaso opgericht werd, keek hij over de Belgische grens richting Frankrijk. Hij wilde Frans-Vlaanderen annexeren. Maar op zeker ogenblik is er een wet gekomen, of zou er een wet gestemd worden, die hem zou kunnen vervolgd hebben, en dan heeft hij de nieuwe marsrichting gepropageerd. Toen werd hij klein-Belgisch. ’t Is dan dat Wies Moens eruit getreden is. Ik was akkoord met Wies Moens.

U hebt aan tal van tijdschriften uw medewerking; verleend, ook tijdens W.O. II. Dat werd u niet in dank afgenomen? In welke mate heeft de repressie zijn sporen nagelaten?

M.E.: Dat is nog niet voorbij! Het was om den brode dat ik het deed. Ik heb de pen moéten gebruiken. Ik heb nooit aan politiek gedaan, wel aan kultuurpolitiek vanuit het standpunt van de Indo-Germaanse traditie. Maar als Groot-Nederlander stond ik afzijdig van de Groot-Duitse idealen van het nationaal-socialisme. Als surrealistisch kunstenaar werd mijn kunst door de officiële nazi-instanties als “entart” beschouwd, maar met enkele kunstkritici konden we laten uitschijnen dat er in België geen “entartete Kunst” bestond. Onze kunst diende gezien te worden in de verlenging van de Duitse romantiek (Hölderlin, Novalis…) en van de symbolistische beweging (Böcklin, Moreau, Khnopff…) alsook van de Engelse preraffaëlieten. Voor de Duitse instanties waren we dus Heimatkünstler. Maar na de oorlog heb ik toch plusminus 4 jaar gezeten. In oktober ’44 werd ik aangehouden maar na 6 à 7 maanden werd ik in voorlopige vrijheid gesteld met een belofte dat dit alles “zonder gevolg” zou blijven. Ondertussen aasde de auditeur op een showproces. Er waren reeds grote processen geweest van Le Soir, Le nouveau Journal, het Laatste Nieuws… maar hij wilde kost wat kost een groot proces hebben. En dan ontdekte hij dat er nog geen proces geweest was van Le Pays Réel. De grote bazen van Le Pays Réel waren nochtans reeds veroordeeld en zelfs ter dood gebracht, o.m. Matthys die chef van Rex ad interim was en hoofdredakteur van Le Pays Réel. Dan kwam het proces met tweederangsfiguren en ik was de eerste persoon van de derderangsfiguren. ‘k Werd onmiddellijk aangehouden en dan heb ik nog plusminus 3 jaar gezeten. Ik kon maar niet vrijkomen. Je weet wel, hé, éénmaal erachter… Niettegenstaande allerlei hoge pieten ertussen gekomen zijn, o.m. een Engelse Nobelprijswinnaar, T.S. Eliot, die schreef dat mijn geval geen vervolging vroeg. Maar dat hielp niet. Het gebeurt soms, als ik heden tentoon stel, dat men mij onrechtmatig aanvalt. Zo had ik onlangs een tento te Lausanne gewijd aan de vrouw en het surrealisme. De dag van de opening deelden manifestanten pamfletten uit waarop te lezen stond dat ik een medeplichtige van Eichmann en Barbie ben. Je reinste onzin is dat!

Na de oorlog hebt u samengewerkt in een groep met de vreemde naam “Fantasmagie”? Figuren als een Aubin Pasque, Pol Le Roy en Van Wassenhove waren…

M.E.: Ja, dat waren 2 ter dood veroordeelden, Le Roy en Van Wassenhove. Wel, na de oorlog was alles wat de klok sloeg abstract. In Antwerpen was er het Hessenhuis en in de jaren ’50 was dat de meest avantgardistische zaak die er in Europa bestond. Pasque en ik kwamen samen en besloten weerom iets uit de grond te stampen. En dan hebben we maar Fantasmagie opgericht. Oorspronkelijk heette het niet zo. Het was het Centrum voor… ik weet het niet meer. Maar op dat moment had Paul de Vree een tijdschrift, Tafelronde. Hij was dan nog niet de ultra-modernist en ontdekte dan pas dat Paul van Ostaijen bestaan had. Tot dan toe was hij dus een zeer braaf dichtertje geweest, hé. Ook kollaborateur! Naar ik meen heeft hij meegewerkt aan De Vlag. Welnu, om onze groep te promoten beloofde hij een speciaal nummer van Tafelronde aan ons te wijden. En op zekere dag schreef hij mij een brief: “Hoe staat het nu met uw Fantasmagie?”. Hij heeft het woord uitgevonden en wij hebben het behouden.

Wat was de bedoeling van Fantasmagie?

M.E.: We wilden een fantastische schilderkunst brengen, later zijn de literatoren daarbij gekomen.

Dan was er ook nog het Centrum Studi Evoliani waarvan u de voorzitter was…

M.E.: Ja, wat de wijsbegeerte betreft ben ik vooral beïnvloed geweest door Nietzsche, Heiddegger en Jullus Evola, vooral door belde laatsten. Een zekere Jef Vercauteren, een Gentenaar, was met Del Ponte in kontakt gekomen en hij zocht mensen die in de richting van Evola’s ideeën zouden kunnen meewerken aan een studiekring. Hiervoor richtte hij zich tot Prof. Piet Tommissen die hem doorverwees naar mij. Ik heb de werken van Evola gelezen. Ik wilde alles over hem weten. Toen ik in Rome was, heb ik zelfs zijn woonst bezocht. Ik heb er gesproken met zijn mensen, zijn discipelen. Deze leefden in onmin met de mensen rond Del Ponte. Del Ponte beweerde dat ze te lamlendig geweest waren bij Evola’s dood. Het is Del Ponte die zijn urne op 4000 meter hoogte op de Monte Rosa heeft neergelaten. Helaas is nu alles stilgevallen wat de studiegroep betreft.

U bent ongeveer gelijktijdig met Magritte gestart. U werken waren zelfs prijziger dan deze van Magritte (glimlach)…

M.E.: Ja, ik was nog een jonge knaap, nietwaar. Magritte heeft zich tot het surrealisme bekeerd na een tijdje futuristisch geschilderd te hebben, kubistisch enz… en toen was hij 27 Jaar. Maar ik was nog maar 18, hé. Dat is 9 jaar verschil. En ik was handiger. Dat was ook een reden om me opzij te schuiven. Soms, toen we nog bevriend waren, zei hij: “Kijk eens, hoe zou ik dat nu doen?” En ik zei: “Wel, Magritte, doe dat zo en zo…”, zodat ik achteraf, nogal humoristisch, zei: ik ben de leermeester van Magritte geweest!

Hoe komt het dan dat je geen internationale erkenning als Magritte genoten hebt?

M.E.: Kijk, ik ben gekomen tot het surrealisme en ik ben beroemd geweest toen ik 20 jaar was. Je kunt dit merken in reklames van het tijdschrift Variété, een para-surrealistisch tijdschrift uit de jaren 27-28 waarin advertenties van de kunstgallerij l’Epoque stonden, een zaak waarvan Mesens direkteur was. Er stond te lezen: We hebben bestendig in voorraad: Werken van… en dan kwamen al die grote namen; waartussen ook mijn naam stond. Maar dan is die formidabele crash van Wallstreet in 1929 gekomen en de moderne kunst was niets meer waard. Zo glijdde ik steeds verder af. Heden wordt mijn kunst door de ene geapprecieerd, door de andere weer niet. Dat hangt van persoon tot persoon af.

Advertenties

een reactie

  1. […] vroeger kennen en hij liet diepe sporen in mijn verbeelding achter als de “zwansbaron”.” (https://marceemans.wordpress.com/2013/02/11/1115/). “C’est alors qu’un ancien acteur entra dans ma vie: Geert van Bruaene. Je l’avais […]

%d bloggers liken dit: