De poëzie en het sacrale

Marc Eemans – Inkttekening, 1956.


Met een voet in het woud van Brocéliande, bakermat van de ridderromans van de Ronde Tafel, waar mythen en sagen hun oorsprong hadden, wens ik eerst en vooral te stellen dat ik mij niet zal wagen op het terrein van de etnologie, noch in het domein van de filosofie of de dieptepsychologie en ook niet in dat van de historici.

Ik wil mij beperken tot het postulaat: “De mens is een sacraal mysterie”, zoals trouwens de dichter Patrice de la Tour de Pin reeds geschreven heeft. Inderdaad, de mens is in wezen een sacraal geheim en wei naar lichaam en naar ziel. Men mag evenwel niet dadelijk besluiten dat de mens een heilige of een engel is, zoals dat in de omgang soms beweerd wordt, meestal afgezwakt tot: “Wie de engel wil uithangen, zal vlug als ezel versleten worden”.

Zeker, de mens metal zijn tekorten, met zijn deugden en gebreken, is tenslotte maar een arme, beklagenswaardige stakker, die niet veroordeeld moet worden en evenmin vereerd. Maar als men hem in zijn diepste wezenheid doorschouwt, zal men niet aarzelen hem te zien als een mysterie, bekwaam om alle mogelijke opgaven aan te kunnen.

Wat er ook van zij, nu we leven in een maatschappij die hoe langer hoe meer ontluisterd werd, behoort het aan de besten onder ons de medemens terug te leiden tot zijn werkelijke eigenheid en te onderzoeken wat er kan gedaan worden om hem het “sacrale” terug te schenken, ondanks al hetgeen de grote massa tot de meest onterende onwaarachtigheid heeft neergehaald.

In feite is de mens zó geworden omdat onze al te materialistische wereld van vandaag hem tot de hechtste minderwaardigheid heeft gedoemd, wijl de samenleving waarin we leven hem in de waan laat, hem zelfs de mening inprent, als zou hij in een paradijselijke wereld leven waar alles openbloeit tot “vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid”, misleidende slogan die twee eeuwen geleden gelanceerd werd teneinde de mens makkelijker met blindheid te kunnen slaan en hem in slavernij te houden.

De ene mens is voor de andere een wolf (“homo homini lupus”). Daar zal niemand aan twijfelen, maar op bepaalde, begenadigde momenten, wanneer iemand door een bevoorrechte belevenis getroffen wordt, kan hij hoe verdorven hij ook moge zijn – onvermoed opgetild worden tot een sacraal gevoel dat hem tot een hoogte verheft die hij zelf wellicht nooit zal bevroeden. Toch zijn er ervaringen welke vaak, indien niet meestal, bovenzinnelijk zijn en de mens kunnen verheffen en opvoeren tot extasen die hem toelaten te ontsnappen aan zijn menselijk tekort en hem losrukken uit alle doemdenken. De grote Duitse wijsgeer Martin Heidegger heeft dat reeds in zijn werk onderstreept waar hij het heeft over “leven om de dood”. Denken we maar even aan de hallucinatieverwekkende middelen die Baudelaire naar paradijselijke verten voerden, aan Thomas de Quincey en Henri Michaux, die proeven ondernamen om zichzelf tot een illusoire, extatische, numineuze toestand te brengen.

Dikwijls gaan mystiek en poëzie hand in hand. Om ons echter niet te ver te wagen op de meteloze en al te verre wegen van de Oosterse mystiek, stellen we enkel vast dat onze westerlijke wereld meer dan een mystisch dichter heeft gekend. Ik zal hier slechts de wonderbare poëtische gloed bij de Spaanse Sint-Jan van het Kruis vermelden in zijn “Geestelijk Canticum” of het diepzinnige in de gedichten uit “Der Cherubinischer Wandermann” van de Duitse barokke mystieker Angelus Silezius (eigenl. Johannes Scheffer 1624-1677).

Ook in onze tijd weerklinkt nu en dan de roep van het goddelijke in het werk der dichters. De Franse dichter Paul Valery heeft het aldus over “het eerste vers dat gegeven wordt”. De romantici hadden het over de kus van de Muse, die hen met een plotselinge emotie bedacht, die ze dan de “inspiratie” noemden.

En zoals de Vlaamse expressionistische dichter Paul van Ostaijen in 1925 op een vergadering te Brussel in het Frans verklaarde: “Er zijn twee grote strekkingen in de poëzie: de ene spruit voort uit het onderbewustzijn, de andere wordt bewust gecreëerd, met dien verstande dat tussen beide uitersten alle gamma’s mogelijk blijven”. Van Ostaijen voegde er echter onmiddellijk aan toe: “De poëzie die uit het onderbewuste ontstaat, wordt ‘geschapen’ uit een geestelijke extase”…

Wat meer is, we mogen ons samen met Van Ostaijen erover verwonderen dat de literatuurhistorici altijd getracht hebben extatische schrifturen gescheiden te houden van de eigenlijke letterkunde. Dezelfde dichter heeft de bedenking geopperd dat de dadaïsten (en wij voegen eraan toe: de surrealisten) weinig afwisten van de mystici en de westerse literatuur lieten aanvangen bij Lautréamont. Het is inderdaad symptomatisch te moeten vaststellen wat Jules Monnerot in zijn essay “La poésie moderne et le sacré” over velerlei dingen schrijft, met inbegrip van etnografie en sociologie, zonder evenwel ook maar een woord te reppen over de mystiek, hoewel er sprake is van de bevindingen van het gnosticisme en hij herhaaldelijk verwijst naar de studie van Lévy-Bruhl die handelt over “Mystische ervaringen en symbolen bij de primitieven”. ·

Ook A. Breton zet in zijn “Premier Manifeste du Surrealisme”, allerlei lui – om een of andere reden – als surrealisten “avant la lettre” op een rijtje, doch verzwijgt daarbij elke mystieke auteur, christen of andere. Wellicht belette zijn aangeboren atheïstische overtuiging hem enige surrealistische waarde toe te kennen aan welke vertolking van een goddelijke stem dan ook.

In zijn in 1942 verschenen “Prolégomènes” (= inleiding) à un troisieme manifeste du surrealisme ou non” geeft hij toe dat zijn “eigen, vrij kronkelige weg” langsheen Abelard en Eckehardt loopt, die nochtans beiden getuigen. van deze zo heftig door de surrealisten verguisde godsdienstigheid. Zo wij ons niet vergissen, moet Breton ook erkend hebben – zij het een beetje laat – dat de romantische “mysticus” Novalis ook op zoek was naar een ,geestelijk domein, waar leven en dood, het reële en het imaginaire, het verleden en de toekomst, het overdrachtelijke en het onmeedeelbare, niet als tegenstrijdig met elkaar moeten worden beschouwd”.

Van zijn kant citeert de gewezen katholieke surrealist Michel Carrouges in zijn studie “André Breton et les données fondamentales du surrealisme” in zijn bibliografie van referenties de werken van Kardinaal de Cusa. Laat ons in elk geval erkennen dat, reeds bij het “ontstaan” van het surrealisme – en wel in de geschriften van A. Breton – er een bevoorrechte plaats overbleef voor “de alchemie van het woord” om zich te beroepen op Rimbaud en Lautreamont, maar ook – en misschien ietwat te veel – op Nicholas Flamel en Cornelius Agrippa van wie Breton de bezorgdheid om de “furor” prees, waarmee trouwens de surrealisten zeker bezield waren. Breton preciseert: “Men moet me goed begrijpen: het gaat niet om een eenvoudige hergroepering van woorden of om een willekeurige opeenstapeling van visuele heelden, maar om het herscheppen van een toestand die in niets aan de geestelijke aliënatie te benijden heeft”. Zodus: Breton gelooft tenslotte zelf in een geïnspireerd geestesdelirium – zij het langs de wegen van de alchemie die tot de “mania” leidt. Hij verwijt verder Rimbaud enige lafheid ten aanzien van de “alchemie van het woord” omdat bij deze dichter de “ouderwetse poëzie” nog teveel aan bod komt. Breton gaat dan verder : “Het “verbum” is meer, en is bijvoorbeeld bij de kabbalisten, niets minder dan het evenbeeld van de geschapen menselijke ziel. Wij weten dat men ze oorspronkelijk beschouwd heeft als zijnde oorzaak der oorzaken, bron van hetgeen we vrezen, van wat we schrijven, van wat we beminnen”.

Onmiddellijk na deze uitspraak geeft Breton toe dat “het surrealisme in een voorstadium is” en hij voegt er nog bij : “Ik haast me te erkennen dat dit stadium wellicht nog voortduren zal zolang ik er zal zijn”.

Nu Breton er niet meer is, kan men zich afvragen wat er geworden is van de metafysische zoektocht die Breton rakelings maar onafgebroken ondernomen had. Zoals men al vaker heeft opgemerkt, is zijn nooit aflatende bezorgdheid om het surrealisme steeds in de richting gegaan van bepaalde initiatische bekommernissen. Voor mindere “goden” onder de surrealisten is het surrealisme echter slechts de voortzetting van het dadaïsme geweest, om enkel begaan te zijn met het aanwenden van het ongewone, het ongepaste en de gekste overdrijvingen van een op hol geslagen verbeelding, zonder de minste aandacht voor de door hun thans overleden meester zo dierbaar beoogde “point suprême”. Zeker is dat de meesten van hen zich in niets meer hebben laten bepalen door alchemie of “occulte wetenschappen” – dit voor zover ze er zich ooit om bekommerd hebben…

Zo de surrealisten ·de zoektocht will en voortzetten, zoals Breton dat heeft voorgehouden, zouden ze, over de Duitse · romantici en de geestelijke schrijvers heen, nieuwe wegen moeten vinden in het onmetelijk domein der verborgenheden die op ontdekking wachten. “Wij moeten”, heeft Breton geschreven, “proberen helder en klaar te achterhalen wat er broeit buiten het weten zelf van de mens in de diepste roerselen van zijn brein, ook indien hij het ons in zijn eigen draaikolk kwalijk zou · nemen”.

Om die roerselen van de menselijke geest te doorgronden, hadden Breton en zijn vrienden aangeknoopt bij de psychoanalyse van Sigmund Freud, doch de Zwitserse psycholoog J. Piaget heeft aangetoond dat de psychoanalytische ideeën van Freud ook berusten op mythen en verder slechts steunen op subjektieve beoordelingen betreffende onze wilsuitingen en onze emoties. Volgens deze geleerde kan het mysterie van de menselijke ziel met haar veranderlijke facetten niet ontleed worden dan door endocrinologische analyses. C.G. Jung, zonder zo ver te gaan, had zich reeds bezig gehouden met het kollektieve onbewuste en met de wereld van de archetypen, terwijl Gaston Bachelard en zijn volgelingen het onmetelijk domein van het imaginaire willen doorgronden. Het is hier echter niet de plaats om een inventaris op te maken van de bewonderenswaardige bevindingen der recente opzoekingen in dit domein. We verheugen ons erover dat deze studies, zowel als de existentiële wijsgerige benadering van het “poëtische” van Heidegger reeds heel wat licht hebben geworpen op de essentie van de poëzie en op het verband tussen enerzijds de dichtkunst en anderzijds – wat men pleegt te noemen – het onzegbare.

Het gaat dan om geluiden uit ons verste verleden, archetypen van onze voorvaderlijke sacrale ontboezemingen, die de deugden van het “mysterium fascinans” bezongen hebben. Misschien betreft het hier tenslotte niets anders dan wat de surrealisten – zij het slechts bij benadering – het “psychisch automatisme” genoemd hebben.

In elk geval, “psychisch automatisme” of niet, alles hangt af van de waarachtigheid en de sereniteit van diegene die het onzegbare in woorden kan vertolken, want uit zijn vergeestelijking ontluikt dan het “grote sacraal geheim” dat de echte, werkelijk geïnspireerde dichter bepaalt.

Uit: Eemans, M. (1984). De laatste surrealist. Antwerpen: Kunst en kapitaal, 93-101.

Advertenties
%d bloggers liken dit: