Over ‘De Meivis’

Kunstenaarskring ‘De Meivis’ opgericht te Bornem in 1943.

[…] ik vond onmiddellijk Filip de Pillecyn die toen te Brussel als Directeur-generaal bij het Miniserie van Onderwijs werkzaam was, bereid samen met mij een kunstenaarsgroep, ‘De Meivis’ gedoopt, te stichten.

Nog vóór ik de latere schrijver van ‘De veerman en de jonkvrouw’ had ‘gepolst’ stond, eveneens te Brussel, de hoofdstedelijke, maar te Dendermonde geboren, internationaal befaamde fotograaf Willy Kessels (1898-1974) in vuur en vlam om mee te doen. Gelijktijdig wist ik dat ook Wies Moens die reeds jaren het Scheldegebied te Sint Gillis bij Dendermonde voor Brabant had verlaten, geestdriftig zou meestichten. Doelstelling van ‘De Meivis’, mede uitgewerkt door Filips De Pillecyn, die ik daaromtrent een paar malen te Brussel had ontmoet bleek klaar als het tijdens de oorlogsjaren klare Scheldewater!

“Boven en buiten alle politiek of ideologische overtuiging een groep kunstenaars verenigen die bereid waren de Schelde als inspiratiebron in hun werk op te nemen en dit als letterkundige, toondichter, kunstschilder, beeldhouwer of beoefenaar van om het even welke kunsttak die de schoonheid van het Scheldeland zou belichten waarbij ook kineasten, fotografen en zelfs… koreografen zouden kunnen aansluiten.”

Als zinnebeeld van de kunstenaarskring werd ‘de Meivis’ gekozen, zijnde een Scheldesymbool van vruchtbaarheid vermits destijds, tot even na de wereldoorlog I, tijdens de eerste meinacht de meivis massaal in de machtige scholen uit de Noordzee de Schelde kwam ingezwommen.

Als kernspreuk werd de, achteraf wellicht een tikje te retorische, leuze gekozen: ‘Der vaderen stroom getrouw!’.

De ‘eedaflegging’ zou geschieden rond een vissersnet op gevaar af dat het een beetje ging lijken op de riten van een kulturele loge!

Verder zou door ieder lid elk van zijn kreaties worden voorzien van een stevige handtekening gevolgd door een,  naar best vermogen, getekende ‘Meivis’! Dat dit laatste voor sommige leden nu en dan enige grafische problematiek zou opleveren, bleek al vlug na de stichting.

Inmiddels werd tijdens de lente van het oorlogsjaar ’43 ter hoogte van Bornem-Sas langsheen de oever van de oude-Schelde door ‘De Meivis’ met vereende krachten, waarbij ook De Pillecyn de handen uit de mouwen stak, als stamlokaal een ‘blokhut’ gebouwd. Onvergetelijk blijven voor de nog levende ‘Meivissers’ de vele uren in het ‘Meivisheem’ of in de landelijke herberg ‘Het Sas’ gesleten.

Steeds weer werd er herinnerd aan het bijbelse buitenverblijfje ‘De Jordaan’ van de eens beroemde kunstschilder Tony van Os uit Temse dat er in de buurt had gestaan maar jammerlijk op een meidag van het eerste oorlogsjaar 1940 in de vlammen opging.

In het stamlokaal was het dat de heruitgegeven ‘Ballade van de Meivis’ door De Pillecyn werd bekommentarieerd. Aan de andere kant was het in het stamcafé ‘Het Sas’ dat hij ons de eerste stukken voorlas uit zijn toen ingezette roman ‘Jan Tervaert’.

Inmiddels beleefde de kunstenaarsgroep ‘De Meivis’ een verrassende hoogvloed van toetredingen en wandelden we op de Scheldedijken in gezelschap van een stoet kunstenaars w.o. naast hogervernoemden de letterkundigen: Wies Moens, Ernest van der Hallen, Karel Vertommen, Valère Depauw, Juliaan Haest, Blanka Gijselen, Korneel Goossens, Marc Eemans (ook schilder), Van Dessel-Poot, Johan Vercammen, Pol Leroy en Juliaan Bernaerts; de kunstschilders: Tony en Ben van Os, Prosper De Troyer, Door Boerewaard, Sander Wijnants, Arm. De Weerdt, Lea Steppe, Victor Quinen, Joz Beeck, Arth. Meersman, Gard Van Mechelen, Martin Bollé, Maurits Van Saene en Bertha Schilts; de etsers: René de Coninck, Jaak Boonen (ook kunstschilder), Johan Coomans (ook beeldhouwer); de beeldhouwers: Albert Poels, Herman De Cuyper, Adriaan Mertens, Karel Aubroeck, Frans Lambrechts; de toondichters: Clement d’Hooghe, Karel de Brabander, Reimond Keldermans, Armand Preud’homme, Gaston Feremans, Ferdinand van Durme en Mark Liebrecht (toen nog Marcel Oger). Verder waren er Elza Darciel (eurhythmische dansen), en kunstfotograaf Willy Kessels evenals heel wat kandidaat-leden of sympathisanten.

Ondertussen was op het dak van het ‘Meivisheem’ te Bornem-Sas de monumentale, door Frans Lambrechts gebeeldhouwde houten ‘Meivis’ gehesen. Waarna eens te meer feestelijk werd omgegaan met ‘den Duvel’, ons gulhartig aangeboden door de onverwoestbare Breendonkse brouwer van het ‘hemelse Duvelbier’ Albert Moortgat die er, samen met zijn fijnproeversvriend Filip de Pillecyn, herhaaldelijk het glas hief.

De dagen met tientallen vooraanstaande kunstenaars in het ‘Meivisheem’ aan de Schelde doorgebracht blijven ook na meer dan veertig jaar nazinderen in het hoofd en het hart van de nog levende oud-Meivissers.

Onvergetelijk waren verder de door nevel en mist weleens levensgevaarlijke Scheldetochten met de overzetboot van ‘Staf, de veerman’ waarbij de gloednieuwe Scheldeliedjes van Armand Preud’homme als ‘Laat ons liefste samen varen’ weergalmden, de populierenplanting lansgheen de Schelde (dertig jaar voor de officiële boomplantingen!) waarbij De Pillecyn mede kranig de spade hanteerde, de oprichting van de ‘Meivisstaak’ met erop de ijzeren windwijzer-vis en de zinnebeeldige ganzeveer van de letterkundigen, het palet van de kunstschilders, hamer en beitel van de beeldhouwers en de lier van de toondichters.

Peleman, B. (1983), Geboeid maar… ongebonden. Getuigenisssen uit een beloken tijd. Retie: Kempische boekhandel, p. 45-47.

Advertenties
%d bloggers liken dit: