Het Geschenk van Trophonios

Giorgio de Chirico, L’enigma della pittura.

Het hier gepubliceerd droomrelaas is ontleend aan mijn “Nocturnaal”, een onuitgegeven bundel van een honderdtal dromen, die de verzamelnaam “Het Geschenk van Trophonios” draagt.

Waarom geschenk? Omdat ik de mening ben toegedaan dat dromen ons louter geschonken worden, zonder dat men er een droomverklaring, dus een sleutel voor dient te zoeken.

Wellicht borrelen ze gedurende de slaap in het onderbewustzijn of het onbewuste op, ten gevolge van zekere bekommernissen – zowel geestelijk als andere – die ons gedurende de wake bezig houden en die tijdens de slaap hun vrije loop nemen. Dikwijls zijn ze een compensatie voor hetgeen het leven ons weigert, doch talrijker zijn de dromen die tot het werkelijke leven behoren, het elven van boven ons menselijk tekort, dromen die ons wijd de deuren op de volle vrijheid des geestes openen.

Inderdaad, in de droom is de mens werkelijk vrij, zonder in het minst rekening te moeten houden met hetgeen hem gedurende de wake gebonden, gekluisterd en geknecht houdt. Alles wordt in de droom tot werkelijke mogelijkheid, en van overal waait er ons de poëzie toe, de poëzie die ons hele leven beheerst, onze hoogste levenswet is en ons leven opluistert opdat het ten slotte toch de moeite waard zij geleefd te worden, niettegenstaande al hetgeen het zoekt te belagen en onmenselijk te maken.

Het meest werkelijke, het meest belangrijke en merkwaardige dat ons in het leven overkomt en geschonken wordt, behoort tot onze dromen, zodat het ons terecht verwonderen mag dat er tot dusver zo weinig rekening werd gehouden met ons droomleven en men meestal smalend zeg “het is slechts een droom…”

Het wordt hoog tijd dat men aan het droomleven eindelijk de ware plaats in het leven inruime, want al te lang, zoal Georg Christoph Lichtenberg schreef, is ünsere ganze Geschichte bloss Geschichte des wachenden Menschen” geweest, “an die Geschichte des Schlafenden hat noch niemand gedacht.”

Ja, de geschiedenis van de slapende, van de dromende mens dient eindelijk geschreven te worden…

En waarom geschenk van Trophonios? Omdat ik gedurende jaren het voorrecht heb mogen genieten een kerker te bewonen waar de dromen me geschonken werden, zoals zij in de klassieke oudheid in bonte drommen tot de mensen kwamen die in het hol van Trophonios nederdaalden. Men dronk het water van Lethe, en men dronk het water van Mnemosyne, waarna men de nodige offeranden aan het beeld in de tempel bracht.

Ik dronk hetzelfde water van Lethe en hetzelfde water van Mnemosyne, offerde eveneens aan de droomschenkende Trophonios om van hem de milde gaven van de vrijheid des geestes in de dromen te mogen ontvangen. Hij schonk me , niettegenstaande kluisters en tralies, de wijde wereld aller mogelijkheden te betreden en hem tot in zijn wonderbaarste werkelijkheid te verkennen.

Hieronder dus een van Trophonios’ geschenken. Het is me biezonder dierbaar omdat het de mogelijkheid bracht op mijn beurt een “Dalmatische Fahrt” te ondernemen en een domein te betreden waaraan de geest der “pittura metafisica” van de grote Giorgio de Chirico niet helemaal vreemd is.

M.E.

2 october 1946.

Een zuiders berglandschap met werkelijk irreële bergen en hoge, grillige rotsgevaarten. Het ingewikkeld kantwerk van die bergen wordt verder uitgesneden of eerder uitgehouwen met behulp van het zwaar geschut van het oorlogseskader waarmee ik naar die zuiderse streken ben afgereisd.

De rotsen tekenen zich zwartgeblakerd af tegen het helder blauw van een wolkeloze hemel. Van op de voorsteven van een kleine verkenningsboot, waarop ik thans plaats heb genomen, neem ik de hele kust in ogenschouw. We varen langsheen een langwerpig eiland: amper een paar kilometer lange bergkam die hoog boven het water opstijgt. De basaltrotsen zijn hier nog zwarter dan elders, doch bij nader onderzoek zal blijken dat we in werkelijkheid te doen hebben met witte marmerklippen, slechts door vettig roet besmeurd ten gevolge van een reusachtige benzinebrand.

Bij een kreek ontwaren we eindelijk een schamel vissersdorpje, half verwoest door het krijgsgebeuren. Er is een klein strand van keien en kiezels, van vermorzelde schelpen en gedroogd wier. Het haventje zelf heeft een klein havenhoofd waarlangs de boot komt meren. Ik ga aan wal en kijk nader toe. Alles is hier povertjes en echt mediteraans van uitzicht: wit gekalkte huizen met lage daken, waartussen het grijze lover van olijfbomen en zwarte cypressen.

Ik zoek een geschikte pleiserplaats met het oog op een lang verblijf te midden van die zuiderse schoonheid. Ik wens er trouwens een grote natuurlijke grot, gelegen onder de hoogste bergtop, te onderzoeken.

Die grot is naar men beweert, een echt wonder, want ze heeft niets van het grillige, chaotische van andere door stalagmieten en stalaktieten overwoekerde grotten. Ik bevind me nu in de lange, donkere galerijen van deze grot, die als het ware door mensenhanden uitgehouwen zijn, zoiets als de zoutmijnen uit Midden-Europa. Hier en daar zijn nevengalerijen door metselwerk van baksteen afgesloten. Andere zijn door middel van zware tralies versperd.

Overal hangt het schaarse licht van heel kleine gloeilampen. Het is er koel en de voetstappen weerklinken hol op de marmeren vloer. Langs een kleine wenteltrap bereik ik door de bergwand heen een middeleeuwse slotruïne, gebouwd op de hoogste top van de klippen. Voor zover ik kan nagaan moet de slotruïne nog slechts uit een vierkant donjon bestaan, een donjon met een grote “ridderzaal” die nog bewoond blijkt te zijn. De zaal is prachtig van proporties en baadt in een helder licht. Langs de grote open ramen, die achteraf in de dikke muren aangebracht werden, heeft men een overweldigend uitzicht op weidse zonovergoten horizonnen en een oneindige blauwe zee.

In de ridderzaal werd een schildersatelier ingericht. De kunstenaar heeft deze ruimte omgetoverd tot een romantisch, echt metafysisch geheel. En boven de deur staat geschreven “Burcht des Geestes”. Met bewonderende ogen neem ik alles in mij op: Daar heb je aan gene zijde van de zaal een grote lijst als een barokke gouden triomfboog. Aan de wanden, tussen zware halfronde gothische zuilen met kapitelen van loofwerk, prijken muurschilderingen gewijd aan allerlei symbolische en hermetische onderwerpen, met naakte of gedrapeerde figuren, in monumentale verhoudingen.

In een hoek van de zaal, halfverdoken door zware fluwelen draperijen van het diepste hemelblauw, staat een grote half-cirkelvormige houten stellage met nissen van verschillende kleuren. De hele regenboog is er vertegenwoordigd, doch het heldere van de kleuren wordt getemperd door de schaduwen en de lichtweerkaatsingen die op de glimmende lakkleuren spelen. Aan de voorkant is een stellage afgesloten door een vermiljoenrood fluwelen gordijn, en ik begrijp dat dit het podium is, met vast decor, van een klein kamertoneel.

Te midden van het podium staan allerlei toneelrekwisieten opgestapeld als op een schilderij van Giorgio de Chirico. De hele atmosfeer van deze atelierruimte ademt trouwens al het specifieke van het genie van de Italiaanse meester. Op een tafel, te midden van allerlei schildersgerief ligt het destijds door de meester geschreven boek: “Hebdomeros”.

Marmeren beelden treden me tegemoet en begroeten me, want het zijn niet alleen bewegende, maar tevens sprekende beelden. Hun taal? Wellicht een zangerige taal, doch de geluiden van die taal dringen niet tot mij door. Het is een voor mij geluidloze taal, want alles is ten slotte geluidloos…

Buiten blijft de hemel blauw en ik staar hem aan in het diepste van dit blauw, ikzelf langzaam in een marmeren beeld veranderend.

Fantasmagie. Speciaal nummer – De Tafelronde nr. 3/4, 5e jg.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: