Brief Pyke Koch aan Marc. Eemans

Het is inderdaad een vreemde zaak met die beeldende kunst. Er heeft zich langzamerhand, maar na deze oorlog in versneld tempo, een intellectuele atmosfeer gevormd waarin het een zware – en zelfs hachelijke – onderneming is geworden de band met de werkelijkheid te behouden. Het is alsof de mens zich door deze werkelijkheid bezeerd voelt als door een wespensteek en er zich van afwendt. Hij een groot aantal del’ in de beeldende kunst en geïnteresseerden (kunstenaars zowel als publiek) leeft een degout tegen de realistische kunst. En, vaak terecht… Maar hierover straks. Het vreemde feit doet zich voor dar er eigenlijk geen onderwerpen meer zijn.

Dit komt zoals we allen weten, doordat er geen sociale of religieuze bron meer in ons leeft die ons onderwerpen levert, of liever: opgeeft; kortom die ons een alibi verschaft, een voorwendsel levert voor voorstellingen die voor ieder, of op zijn minst voor een dominerende elite, zin en betekenis hebben: en die ons, kunstenaars, de gelegenheid bied en de onnaspeurlijke en onuitsprekelijke dubbelzinnigheden te begaan die het kenmerk zijn van de grote figuratieve kunst. Eerst in de kooi van opgaaf en onderwerp zingt de merel zijn meest verheven lied.

Zodra een schilder zich thans dus in de onderwerpskunst begeeft, doet hij dat buiten de grote stroom en, als het ware, op eigen gezag. Zijn alibi is niet algemeen geldend mits hij zoiets als een genie is (want die koken op eigen vuur hun potjes wel gaar: zij doorkruisen op souvereine wijze de bestaande stromingen en logenstraffen alle theorieën) – Het is echter duidelijk, en niet te loochenen dat er onder degenen die niet zich hebben teruggetrokken tot in de abstracte of deformerende regionen er amper zijn, wier voortbrengselen ons niet doen gapen van misselijkheid, of verveling of van beiden tegelijk. Het kitsch-element is bovendien veel aperter en voor de eenigszins intellectueel geschoolde beschouwer makkelijker aan te wijzen in de realistische onderwerpskunst dan in werken van hen die zichzelf wel bevrijd, maar tegelijk beroofd hebben van deze bagage. Toegegeven: bijna alles wat gemaakt wordt door realisten stelt teleur, wekt zelfs wrevel op en doet aan als ‘niet ter zake dienende’. Wanneer men echter de baaierd van enige duizenden non-figuratieve of deformistische – laten we zeggen anti-realistische schilderijen ter Biënnale doorwaadt, dan houdt men een gevoel over alsof men een demonstratie had bijgewoond waarin vertoond wordt hoe een kikkerhart kan doorkloppen in een laboratorium, jaren nadat de kikker in persoon, en enige uit hem voortgesproten generatie’s reeds dit ondermaanse verlaten hebben.

Toch zie ik er, onder die duizenden, die effecten behelzen, en waar in kleuren klinken, die ik beaam en mooi vind zo dat ik denk, het zou een goed schilderij kunnen zijn, waarin dit effect niet slechts om zich zelfs wil daar was, maar waarin het voort kwam uit het onderwerp, en ondergeschikt, maar toch: ongeschonden kon best aan. Maar hier zit nu juist de kneep. Alleen de tijd kan dit bij elkaar dwingen, of, vóórdien een enkele grote hand. Ik ben ervan overtuigd dat de tijd dit zal doen. Het hoe en wanneer zal door de wereldgeschiedenis worden bepaald ; door een oorlog b.v., en wie haar wint. Zeker is het, dat bij het autonoom worden van de elemenenten der oude kunst, er meer aan slagkracht en penetratie-vermogen verloren is gegaan, dan er gewonnen is aan makkelijk, veelvuldig en snel uit te buiten kansen op schoonheid in de engere, puur aesthetische, betekenis van dat woord. Wanneer aan de anti-realistische kunst eenmaal de macht van het haar nu inhaerente mode-element zal ontvallen – (ik zeg niet indien, ik zeg wanneer) dan zal men tot ontdekkingen komen en tot herwaarderingen die dan even natuurlijk zullen lijken, als nu veraf en onzeker. Wie ooit heeft ervaren hoe een realistisch schilderij werkt temidden van antirealistische schilderijen, die zal weten dat het effect zo ongeveer overeen komt met de uitwerking die het binnenkomen van een spiernaakte man op een avondfeest in rok zou hebben. De majesteit van de naaktheid is nog slechts ridicule, en het geval doet denken aan ‘l’Albatros’. Wat niets prouveert tegen het naaktzijn als zodanig. Laat men zich door dit verschijnsel dus niet laten misleiden. Het is slechts natuurlijk. Om een enkel woord over mijn eigen werk te zeggen; ik weet niet of mijn werken thans een criticus zouden inspireren tot het gebruik van het woord ‘magisch realisme’. Ik zoek in mijn werk sinds tien jaar niet de spanning van het geheimzinnige en het werkelijk-onwerkelijke, welke ik vroeger zocht en soms vond. Ik heb hoe langer hoe meer begrepen welk een onverhoeds machtig wapen de gemeenplaats is. Stel U voor: ik beeldde in een reeks seizoenen, de winter af als een vrouw met een takkenbos en de Lente met een pasgeboren lam… U ziet: ik zorg ervoor dat zelfs mijn minst lucide tegenstanders iets te lachen hebben. Iets waartoe het mij een voorrecht zal zijn hen in de gelegenheid te mogen stellen wanneer ik, omstreeks 1 Dec. mijn expositie open in het stedelijk museum te Amsterdam.

(Gepubliceerd in De Periscoop, v, II , 1955, blz. 9; drukfouten zijn gecorrigeerd naar een door Koch geannoteerd exemplaar)

C. Blotkamp, Pyke Koch, Amsterdam 1972, p. 129-131.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: